wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

woordsoorten en zinsontleden

Total questions: 13

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de persoonsvorm van de volgende zin?

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

a)

is

b)

gestopt

c)

op

d)

is gestopt

2.

Wat is van de volgende zin het onderwerp?

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

a)

De auto

b)

auto

c)

de parkeerplaats

d)

De rode auto

3.

Wat is in de volgende zin het werkwoordelijk gezegde?

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

a)

is

b)

gestopt

c)

is gestopt

d)

is op de parkeerplaats gestopt

4.

Wat is in de volgende zin het onderwerp?

Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.

a)

Bram

b)

Bram en Lisa

c)

hun moeder

d)

een cadeau

5.

Wat is in de volgende zin het lijdend voorwerp?

Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau

a)

Bram en Lisa

b)

Lisa

c)

hun moeder

d)

een cadeau

6.

Wat is in de volgende zin het meewerkend voorwerp?

Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.

a)

Bram en Lisa

b)

en

c)

hun moeder

d)

een cadeau

7.

Benoem het bijvoeglijk naamwoord uit de volgende zin.

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

(a)  

8.

Benoem uit de volgende zin het voorzetsel.

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

(a)  

9.

Benoem uit de volgende zin het lidwoord.

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

(a)  

10.

Benoem uit de volgende zin het lidwoord.

Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.

(a)  

11.

Benoem uit de volgende zin het bezittelijk voornaamwoord.

Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.

(a)  

12.

Benoem uit de volgende zin één zelfstandig naamwoord.

Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.

(a)  

13.

Benoem uit de volgende zin één zelfstandig naamwoord.

De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.

(a)