Font size
Worksheetswoordsoorten en zinsontleden
Total questions: 13
Worksheet time: 7mins
Wat is de persoonsvorm van de volgende zin?
De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.
is
gestopt
op
is gestopt
Wat is van de volgende zin het onderwerp?
De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.
De auto
auto
de parkeerplaats
De rode auto
Wat is in de volgende zin het werkwoordelijk gezegde?
De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.
is
gestopt
is gestopt
is op de parkeerplaats gestopt
Wat is in de volgende zin het onderwerp?
Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.
Bram
Bram en Lisa
hun moeder
een cadeau
Wat is in de volgende zin het lijdend voorwerp?
Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau
Bram en Lisa
Lisa
hun moeder
een cadeau
Wat is in de volgende zin het meewerkend voorwerp?
Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.
Bram en Lisa
en
hun moeder
een cadeau
Benoem het bijvoeglijk naamwoord uit de volgende zin.
De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.
(a)
Benoem uit de volgende zin het voorzetsel.
De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.
(a)
Benoem uit de volgende zin het lidwoord.
De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.
(a)
Benoem uit de volgende zin het lidwoord.
Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.
(a)
Benoem uit de volgende zin het bezittelijk voornaamwoord.
Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.
(a)
Benoem uit de volgende zin één zelfstandig naamwoord.
Bram en Lisa geven hun moeder een cadeau.
(a)
Benoem uit de volgende zin één zelfstandig naamwoord.
De rode auto is op de parkeerplaats gestopt.
(a)
