wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Micro-organismen en gezondheid

Total questions: 15

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste rangschikking van de micro-organismen van klein naar groot? Gisten = 1, bacteriën = 2, virussen = 3, eencellige algen = 4

a)

1 - 2 - 3 - 4

b)

2 - 4 - 3 - 1

c)

3 - 2 - 1 - 4

d)

1 - 3 - 4 - 2

e)

4 - 3 - 2 - 1

2.

Als een ziekteverwekker in contact komt met je lichaam, of er in binnendringt, noemen we dat een ...

a)

Besmetting

b)

Infectie

c)

Incubatietijd

d)

Antistof

3.

De tijd tussen de besmetting en de eerste merkbare ziekteverschijnselen noemt de (a)   tijd. (één woord invullen)

4.

Bij steriele materialen zijn ...

a)

de meeste ziektekiemen gedood

b)

enkel de mogelijke ziekteverwekkers gedood

c)

alle ziektekiemen gedood

d)

enkel de gevaarlijkste ziektekiemen gedood

5.

Antistoffen van ons immuunsysteem worden aangemaakt door ...

a)

Macrofagen

b)

T-killercellen

c)

T-helpercellen

d)

B-lymfocyten

6.

Een functie van de macrofagen is ...

a)

Antigeen-Antistofcomplexen opruimen

b)

Antistoffen maken

c)

Signaalstoffen afgeven die andere lymfocyten activeren

d)

Eerder bestreden indringers herkennen

7.

Witte bloedcellen die gebruik maken van perforines zijn de ...

a)

B-geheugen cellen

b)

T-helpercellen

c)

T-killercellen

d)

B-lymfocyten

8.

Duid de manieren aan waarmee virusinfecties kunnen bestreden of voorkomen worden.

a)

Met eigen afweersysteem

b)

Met antibiotica

c)

Met een vaccin

d)

Met pijnstillers

e)

Met antivirale middelen

9.

Als een patiënt stoffen krijgt toegediend uit bloed, afkomstig van mensen of dieren, met daarin specifieke antistoffen, noemen we dat (a)   (1 woord)

10.

Duid de onderdelen van de niet-specifieke afweer aan

a)

slijmvliezen

b)

natuurlijke killercellen

c)

B-lymfocyten

d)

macrofagen

e)

T-lymfocyten

11.

Macrofagen kunnen indringers met hun pseudopodiën omsluiten en ze binnen in hun cellichaam verteren. Dit proces noemt ………..

(a)  

12.

Een virus is opgebouwd uit...

a)

Een eiwitmantel

b)

Een hoeveelheid erfelijk materiaal

c)

Een celmembraan

d)

Een celkern

e)

Een celwand

13.

Virussen kunnen we bestrijden met antibiotica

a)

juist

b)

fout

14.

Virussen kunnen lang overleven buiten het lichaam van een gastheer

a)

juist

b)

fout

15.

Bij actieve immunisatie worden er door het lichaam zelf geen antistoffen geproduceerd

a)

juist

b)

fout