wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 Kracht en beweging

Total questions: 36

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Een steen valt op de grond door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

2.

Meteorieten verbranden in de dampkring door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

3.

Een elastiekje wil terug naar z'n oorspronkelijke vorm door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

4.

Je komt omhoog als je springt door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

5.

Wat is zwaartekracht?

a)

De aantrekkingskracht van de aarde

b)

De kracht die je voelt als je een bocht maakt

c)

De kracht die mensen en dieren gebruiken

d)

De afremmende kracht of wrijving

6.

Wat is de grootheid voor afstand?

a)

A

b)

s

c)

t

d)

d

7.

In welke eenheid staat de afstand?

a)

km

b)

g

c)

Ω

d)

s

8.

Wat is de formule om de snelheid uit te rekenen

a)

v = t x s

b)

s = v : t

c)

s = v x t

d)

v = s : t

9.

Wat is de eenheid van Kracht

a)

N

b)

kg

c)

s

d)

m

10.

1 kg = ..... N

a)

100

b)

1000

c)

1

d)

10

11.

Een kracht is ...

a)

een eenheid

b)

een grootheid

c)

een volume

d)

een massa

12.

Het symbool voor massa is ...

a)

kg

b)

m

c)

N

d)

F

13.

Je draagt een boekentas van 7 kg. Deze 7 kg is ...

a)

een gewicht

b)

een volume

c)

een massa

d)

een kracht

14.

De eenheid van kracht is ...

a)

Newton

b)

kilogram

c)

massa

d)

Newton / kilogram

e)

gewicht

15.

Welke uitwerkingen kan een kracht hebben. Let op: meerdere antwoorden mogelijk.

a)

een kracht kan de snelheid veranderen

b)

een kracht kan de vorm veranderen

c)

een kracht kan de temperatuur veranderen

d)

een kracht kan de richting veranderen

16.

Wat zijn voorbeelden van de uitwerking van een kracht? Let op: meerdere antwoorden mogelijk.

a)

een honkbal vliegt weg doordat je deze slaat met een knuppel

b)

water in een pan kookt doordat je deze op het fornuis zet

c)

een auto krijgt een deuk doordat je er tegen aan rijd

17.

Je hebt kracht nodig om iemand op te tillen omdat...

a)

de zwaartekracht meewerkt

b)

de zwaartekracht tegen werkt

c)

de zwaartekracht geen invloed heeft

18.

Een voorwerp met een massa van 2 kg heeft een zwaartekracht van....

a)

2 N

b)

20 N

c)

200 N

d)

2000 N

19.

Waarmee kun je een kracht meten?

a)

met een thermometer

b)

met een snelheidsmeter

c)

met een veerunster

d)

met een klok

20.

Je rijdt op een scooter. Er steekt iemand over, dus je remt af. Wat voor soort beweging is dit?

a)

versnelde beweging

b)

eenparige beweging

c)

vertraagde beweging

21.

Je stapt op je fiets en rijdt weg. Je gaat steeds harder fietsen. Wat voor beweging is dit?

a)

versnelde beweging

b)

eenparige beweging

c)

vertraagde beweging

22.

Je rijdt 150 km. Je doet er 3 uur over. Wat is je gemiddelde snelheid?

a)

5 km/h

b)

50 km/h

c)

15 km/h

d)

150 km/h

23.

De remweg van een auto is niet altijd even lang. Wat heeft invloed op de remweg van een auto? Let op: meerdere antwoorden mogelijk.

a)

door de snelheid van de auto

b)

door de banden van de auto

c)

door de airbag van de auto

d)

door de massa van de auto

24.

Je snelheid wordt twee keer zo groot. Wat gebeurt er dan met de remweg?

a)

wordt korter

b)

blijft gelijk

c)

wordt groter

25.

Wanneer reageert iemand langzamer dan normaal? (slechtere reactietijd)

a)

als de banden versleten zijn

b)

als de snelheid groter is

c)

als het regent of sneeuwt

d)

als hij/zij niet goed oplet

26.

Een brommer rijdt 10 m/s. De reactie-tijd van de bestuurder is 2 s .Wat is de reactie-afstand?

a)

1 m

b)

2 m

c)

10 m

d)

20 m

27.

De reactie-afstand is 20 m. De remweg is 40 m. Wat is de stop-afstand?

a)

20 m

b)

40 m

c)

60 m

d)

80 m

28.

Als je op de fiets moet remmen of uitwijken. Waarvoor heb je kracht nodig?

a)

voor geen van beiden

b)

om te remmen

c)

om uit te wijken

d)

voor remmen en uitwijken

29.

Waarvoor dient de veiligheids-gordel in een auto?

a)

Zodat de vorm van de auto niet veranderd bij een botsing.

b)

Zodat de airbag op tijd opgeblazen kan worden.

c)

Zodat de kracht op je lichaam kleiner wordt bij een botsing

30.

Wanneer beschermt een hoofdsteun je nek?

a)

bij een botsing van voren

b)

bij een botsing van achteren

c)

bij een botsing van voren en van achteren

d)

nooit

31.

Wat is een eenparige beweging?

a)

Een beweging waarbij de snelheid steeds groter wordt.

b)

Hoeveel afstand een voorwerp, gemiddeld, aflegt in een bepaalde tijd.

c)

Een beweging waarbij de snelheid gelijk blijft.

d)

Een beweging waarbij de snelheid steeds afneemt.

32.

De symbolen voor grootheid en eenheid van snelheid zijn...

a)

a (in m/s)

b)

s (in m/s)

c)

v (in m/s)

33.

omrekenen van km/h naar m/s...

a)

x 3,6

b)

: 3,6

c)

x 1000

d)

: 1000

34.

Een vuistregel om de zwaartekracht te bepalen is:

a)

zwaartekracht (in Newton) = massa (in gram) : 10

b)

zwaartekracht (in Newton) = massa (in gram) x 10

c)

zwaartekracht (in Newton) = massa (in kilogram) : 10

d)

zwaartekracht (in Newton) = massa (in kilogram) x 10

35.

Zwaartekracht geef je aan als...

a)

FZ (in N)

b)

fz (in N)

c)

Fz (in N)

36.

een massa van 50 Kg heeft een zwaartekracht van

a)

50N

b)

500N

c)

5000N

d)

50000N