wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voeding en Erfelijkheid

Total questions: 14

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Brandnetels

Bij de brandnetel komt een factor voor die de vorming van bladgroen onderdrukt. Heterozygote individuen maken nog maar 1/3 van de totale hoeveelheid bladgroen. Ze groeien langzaam. Homozygoot recessieve individuen sterven spoedig af, omdat ze niet genoeg bladgroen kunnen vormen. Welk deel van de F2 kan weinig tot geen bladgroen maken als de ouders beide heterozygoot zijn?

a)

1/4

b)

1/2

c)

1/3

d)

3/4

2.

Kleurenblindheid

Vader en moeder zijn geen van beide kleurenblind (een X-chromosomale eigenschap), maar Sam wel. Wat kun je hieruit afleiden over Sam?

a)

Dat Sam een meisje is en dat haar vader heterozygoot is voor deze eigenschap.

b)

Dat Sam een meisje is en dat haar moeder heterozygoot is voor deze eigenschap.

c)

Dat Sam een jongetje is en dat zijn vader heterozygoot is voor deze eigenschap.

d)

Dat Sam een jongetje is en dat zijn moeder heterozygoot is voor deze eigenschap.

3.

Aandoeningen

Bij een bepaalde familie komt een aandoening voor. De stamboom van de familie is hieronder getekend.

Leg uit of de aandoening dominant of recessief is (2p).

Leg uit of de aandoening X-chromosomaal is (2p).

4 lines
4.

Bladluizen

Bladluizen voeden zich met sappen uit bladeren. Welke stoffen zuigen zij hierbij op en uit welke vaten (2p)?

a)

Anorganische stoffen uit houtvaten

b)

Anorganische stoffen uit bastvaten

c)

Organische stoffen uit houtvaten

d)

Organische stoffen uit bastvaten

5.

Tulpenbollen

Om grotere tulpenbollen te krijgen is het van belang dat in het voorjaar de tulpen gekopt worden. Dit houdt in dat de bloem van de tulp afgehaald wordt. Leg uit hoe het koppen kan leiden tot grotere tulpenbollen (2p).

4 lines
6.

Huidmondjes

Vetplanten leven op zeer warme, droge plaatsen. Hieronder staan enkele aanpassingen van bladeren bij planten.

I. Groot bladoppervlak

II. Dikke cuticula

III. Veel huidmondjes

IV. Kleine huidmondjes

Welke kan je mogelijk bij vetplanten aantreffen (2p)?

a)

Zowel I als III

b)

Zowel II als IV

c)

Zowel III als IV

d)

Zowel I als II

7.

Pantoffeldiertje

Stel dat in een bepaald pantoffeldiertje alle activiteit van de mitochondriën wordt uitgeschakeld door giftige stoffen. Als het pantoffeldiertje toch geruime tijd even actief zou doorleven, welke van onderstaande uitspraken is dan juist (2p).

a)

Het pantoffeldiertje zou dan per minuut evenveel zuurstof verbruiken als voor de vergiftiging van de mitochondriën.

b)

Het pantoffeldiertje zou dan per minuut meer voedsel verbruiken dan voor de vergiftiging van de mitochondriën.

c)

Er zou geen dissimilatie meer plaats kunnen vinden

d)

Er zou geen assimilatie meer plaats kunnen vinden

8.

Beperkende factoren

Bekijk de figuur. Hieronder staan twee uitspraken.


I. Bij punt P is bij de plant van 15 graden C de temperatuur de beperkende factor

II. Bij punt P is bij de plant van 25 graden C zuurstofopname de beperkende factor


Welke uitspraak is waar (2p)?

a)

Alleen uitspraak I is waar

b)

Alleen uitspraak II is waar

c)

Zowel I als II zijn waar

d)

Zowel I als II zijn niet waar

9.

Dennenbos

De volgende gegevens van een dennenbos zijn bekend:


Netto primaire productie (ton koolstof per hectare per jaar) = 36,0

Dissimilatie autotrofe organismen (ton koolstof per hectare per jaar) = 41,0

Dissimilatie heterotrofe organismen (ton koolstof per hectare per jaar)= 14,0


Hoe groot is de bruto primaire productie (in ton koolstof per hectare per jaar) (2p)?

a)

5

b)

22

c)

50

d)

77

e)

91

10.

Algen en gisten

In vier afgesloten petrischaaltjes bevinden zich dezelfde hoeveelheden algen en gisten. Hieronder staat overzichtelijk weergegeven wat er in welk petrischaaltje zit.


Petrischaaltje 1: algen (5g), gist (5g), licht

Petrischaaltje 2: algen (5g), gist (5g), donker

Petrischaaltje 3: algen (5g), licht

Petrischaaltje 4: algen (5g), donker

PetrischaaltJe 5: gist (5g), donker


In welk petrischaaltje of in welke petrischaaltjes is de kans op de vorming van alcohol het grootst? Geef het nummer / de nummers (2p).

4 lines
11.

Caseïne

Het eiwit caseïne komt voor in de melk van koeien én van schapen. De aminozuursamenstelling van het caseïne van een koe is verschillend van dat van een schaap. De nucleotidenvolgorde van de DNA-delen die de aminozuursamenstelling van caseïne coderen, is voor beide diersoorten bekend.

Hieronder is een deel weergegeven van de nucleotidenvolgorde in de zogenaamde ‘template-streng’ van het DNA. Langs dit DNA-deel wordt het mRNA gevormd dat de synthese van caseïne op gang brengt.


Koe TAC TCC CTC

Schaap TAC GCC CTT


Met welke aminozuren beginnen de stukjes caseïne, die door de vermelde DNA-fragmenten worden gecodeerd bij een koe? En met welke aminozuren beginnen de stukjes caseïne van een schaap (2p)?

4 lines
12.

Brandnetels

Bij brandnetels is de eigenschap ‘gezaagdrand’ dominant over ‘gaafrand’. Er worden twee kruisingen gedaan. In kruising 1a wordt een homozygote gezaagdrande plant met een gaafrandige plant gekruist. De nakomelingen (kruising 1b) kruisen onderling. In kruising 2a wordt een heterozygoot gezaagdrande plant met een gaafrandige plant gekruist. De nakomelingen hiervan kruisen ook onderling (kruising 2b)


Hoe kan je aan de nakomelingen van kruising 1b en 2b zien welke plant van kruising 1a en 2a homozygoot dan wel heterozygoot was (2p)?

4 lines
13.

Katten

Bij katten wordt de vachtkleur onder andere bepaald door een X-chromosomaal allelenpaar met een allel voor rode vacht en een allel voor zwarte vacht. Poezen kunnen een rode vacht hebben, een schildpadvacht of een zwarte vacht. Schildpadvacht is het intermediaire fenotype. Een poes met een schildpadvacht paart met een rode kater.

Leg uit hoe groot de kans is dat hun twee dochters een schildpadvacht hebben (2p)?

4 lines
14.

Planten

Bij fotosynthese ontstaat glucose. De gevormde glucose kan weer worden omgezet in andere organische stoffen. Sommige van deze stoffen bevatten stikstof. Hoe heet proces waarbij glucose wordt omgezet in andere organische stoffen en welke stof kan stikstof bevatten (2p)?

a)

Dit proces heet voorgezette assimiliatie en de stof kan een aminozuur zijn

b)

Dit proces heet assimilatie en de stof kan een aminozuur zijn

c)

Dit proces heet voortgezette assmiliatie en de stof kan een vetzuur zijn

d)

Dit proces heet assimilatie en de stof kan een vetzuur zijn