Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

8.2 Politiek-maatschappelijke stromingen

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Met het Congres van Wenen probeerde de grote mogendheden na de overwinning op Napoleon de oude orde te herstellen.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

De liberalen hadden vooral steun onder de

a)

Adel

b)

Burgerij

c)

Arbeiders

d)

Vorsten

3.

De liberalen steunden veel verlichtingsidealen. Welke van de onderstaande opvattingen horen bij de deze stroming. (meerder antwoorden)

a)

Voor de wet is iedereen gelijk

b)

De macht van de koning dient niet te worden beperkt.

c)

De regering is ondergeschikt aan de volksvertegenwoordiging.

d)

Burgerrechten dienen in een grondwet te worden opgenomen

e)

Iedereen heeft recht op een gelijk bezit

4.

Stroming die zoveel mogelijk de oude toestand wil behouden is het ...

(a)  

5.

Welke beweringen zijn juist?

a)

Nationalisme is het streven naar een natie staat.

b)

Nationalisme is het streven naar een grootmacht.

c)

Nationalisme is voorliefde voor de eigen staat.

d)

Nationalisme is de voorliefde voor het eigen volk.

6.

Wat maakt een volk tot een volk?

a)

Een gemeenschappelijk land, gemeenschappelijke taal, gemeenschappelijke wetten.

b)

Een gemeenschappelijk cultuur, gemeenschappelijke taal, gemeenschappelijke wetten.

c)

Een gemeenschappelijk land, gemeenschappelijke taal, gemeenschappelijke geschiedenis.

d)

Een gemeenschappelijke cultuur, gemeenschappelijke taal, gemeenschappelijke geschiedenis.

7.

Het nationalisme leidde in de 19e eeuw tot de eenwording van verschillende landen tot 1 natiestaat. Noem hiervan een voorbeeld.

(a)  

8.

Het nationalisme leidde in de 19e eeuw ook tot uiteenvallen van landen in kleinere natiestaten. Noem een voorbeeld van een nieuw land dat zo is ontstaan.

(a)  

9.

De stroming die opkwam voor de arbeiders en streefde naar gelijkheid in macht en inkomen heet het ...

(a)  

10.

Binnen het socialisme ontstonden verschillende stromingen. Welk antwoord is niet juist.

a)

Het reformisme streefde naar een gematigde verbetering van de positie van de arbeiders.

b)

De marxisten wilden door middel van een revolutie de staat overnemen.

c)

De sociaal-democraten wilden het kapitalisme omverwerpen.

d)

De radicale communisten wilden de productiemiddelen in handen van de staat brengen.