Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

6.1 Herleven van de landbouwstedelijke samenleving

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Waardoor ontstond rond het jaar 1000 weer een landbouwstedelijke samenleving in West-Europa? (meerder antwoorden goed)

a)

Het was veiliger (doordat de Vikingtochten voorbij waren)

b)

Er werden meer kinderen geboren.

c)

De landbouwgrond nam toe

d)

Mensen leefden langer

e)

De landbouwtechnieken verbeterden

2.

Wat is geen oorzaak voor de toename van de landbouwgrond.

a)

Er werden bossen gekapt

b)

De horigheid werd afgeschaft

c)

Moerassen werden drooggelegd

d)

De voedselproductie nam toe.

3.

Wat is het verband tussen de uitvinding van de risterploeg en het ontstaan van steden?

a)

Voor het maken van deze ploegen moesten mensen zich gaan specialiseren.

b)

Door de risterploeg nam de voedselproductie toe, waardoor de bevolking groeide.

c)

Door de risterploeg konden meer mensen boer worden.

d)

Door de risterploeg nam de handel af, waardoor mensen naar de stad trokken.

4.

Middeleeuwse steden lager vaak bij

(a)  

5.

Veel stadsbewoners waren ambachtsman. Welke van de volgende beroepen is geen ambacht.

a)

smid

b)

timmerman

c)

wever

d)

bakker

e)

handelaar

6.

Een beroepsvereniging in een stad is een

(a)  

7.

De eerste banken waren geldwisselaars die, zittend achter een bank, de vele verschillende munten wisselden voor de lokale munt.

a)

juist

b)

onjuist

8.

De wisselbrief en de giro zorgden ervoor dat het gebruik van munten enorm toenam.

a)

juist

b)

onjuist

9.

Wat is de Hanze?

a)

Een rijke bankiersfamilie in Italie en Duitsland

b)

Een nieuw type schip dat zorgde voor een toename van de handel

c)

Een samenwerkingsverband havensteden in Noord-Europa

d)

Een belasting op het gebruik van wegen, rivieren en bruggen.

10.

Ik kan uitleggen waardoor de landbouwstedelijke samenleving ontstond en wat de gevolgen waren voor de economie.

a)

Ja, ik begrijp dit en kan dit uitleggen

b)

Ja, ik begrijp het en kan dat deels uitleggen.

c)

Nee, ik begrijp het wel, maar kan het niet uitleggen

d)

Nee, ik begrijp het niet