wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Europa in beweging

Total questions: 61

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.
De hoofdkenmerken van een staat zijn:
a)
een eigen cultuur en soevereine regering
b)
duidelijke grenzen en een eigen volk
c)
een soevereine regering en een eigen cultuur
d)
duidelijke grenzen en een soevereine regering
2.

twee kenmerken van een volk zijn:

a)

woont al eeuwenlang samen en heeft dezelfde cultuur

b)

een eigen regering en een dezelfde cultuur

c)

heeft een eigen staat en dezelfde cultuur

d)

woont al eeuwenlang samen en heeft een eigen staat

3.

Belangrijke onderdelen van een cultuur zijn:

a)

taal, godsdienst, haarkleur en muziek

b)

godsdienst, huidskleur, taal en sport

c)

godsdienst, taal, kleding, eten en drinken

d)

taal, verscheidenheid, godsdienst en sport

4.

Welke bewering over Nederland is waar?

a)

Nederland is soeverein en heeft alleen natuurlijke grenzen

b)

Nederland is soeverein en heeft alleen kunstmatige grenzen

c)

Nederland is een staat met natuurlijke en kunstmatige grenzen

5.

Wat betekent soevereiniteit?

a)

Je willen afscheiden van een land

b)

Andere landen morgen niet zomaar beslissen wat er in een ander land gebeurt

c)

Gemeenschappelijke kenmerken hebben met een groep mensen in een land

6.

Op het plaatje zie je een

a)

Onnatuurlijke grens

b)

Open grens

c)

Natuurlijke grens

7.

Wat is een staatskundige grens?

a)

Grens die door de mensen in bedacht (rechte lijnen)

b)

Grens die op een natuurlijke wijze is ontstaan (door bijvoorbeeld een rivier)

c)

Scheidingslijn

d)

Grens die moeilijk te passeren is.

8.
wat valt niet onder cultuurkenmerken
a)
kleding
b)
voedsel
c)
geloof
d)
ras
9.

Uit hoeveel landen bestaat het Koninkrijk der Nederlanden

a)

6

b)

4

c)

1

d)

3

10.

De munteenheid van Bonaire is

a)

De Bonairiaanse gulden

b)

De euro

c)

De Antilliaanse gulden

d)

De Amerikaanse dollar

11.

Welke zin is juist?

a)

Elk volk in een staat heeft een eigen territorium.

b)

Een staat is een gebied waar één volk een territorium heeft.

c)

Het territorium van een volk valt niet altijd samen met de staatsgrens.

d)

Een volk zonder eigen territorium is geen volk.

12.

Iemand doet twee uitspraken:

I De dienstensector is nu de grootste arbeidssector in Manchester.

II In de lichte industrie komt ook massaproductie voor.

Welke uitspraak is juist?

a)

Uitspraak I is juist, uitspraak II is onjuist

b)

uitspraak II is juist, uitspraak I is onjuist

c)

Beide uitspraken zijn juist

d)

Beide uitspraken zijn onjuist

13.

Welk kenmerk hoort bij de hightechindustrie?

a)

grondstofgebonden

b)

kennis als grondstof

c)

marktgebonden

d)

veel gebruik van delfstoffen

14.

Iemand doet twee uitspraken:

I Agglomeratievoordelen heb je vooral in stedelijke gebieden.

II De beroepsbevolking zijn alle mannen en vrouwen tussen de 15 en 65 jaar in een gebied.

Welke uitspraak is juist?

a)

Uitspraak I is juist, II is onjuist.

b)

Beide uitspraken zijn juist.

c)

Beide uitspraken zijn onjuist.

d)

Uitspraak I is onjuist, II is juist.

15.

Iemand doet twee uitspraken:

I Nederland heeft alleen natuurlijke grenzen met het buitenland.

II De Nederlandse provincies hebben onderling alleen natuurlijke grenzen.

Welke uitspraak is juist?

a)

Uitspraak I is juist, II is onjuist.

b)

Beide uitspraken zijn juist.

c)

Beide uitspraken zijn onjuist.

d)

Uitspraak I is onjuist, II is juist.

16.

Welk kenmerk hoorde tot 1989 bij Oost-Europa?

a)

communisme

b)

hoge welvaart

c)

kapitalisme

d)

zelfstandige bedrijven

17.

In welk economisch systeem komt meer concurrentie voor

a)

communisme

b)

vrijemarkteconomie

18.

Waarom wordt de EU ook wel ‘Fort Europa’ genoemd?

a)

Bij grensovergangen aan de buitengrenzen van de EU wordt streng gecontroleerd wie de EU in wil.

b)

Op de buitengrenzen van de EU staan overal muren en hekken om vluchtelingen tegen te houden

c)

Aan de grenzen tussen de EU-lidstaten wordt bij alle grensovergangen streng gecontroleerd of vluchtelingen de landsgrenzen over willen steken.

19.

Wat is gentrificatie?

a)

De komst van rijke mensen in een arme woonwijk, waardoor de buurt langzaam opknapt.

b)

Het leeglopen van stadswijken door de verhuizing van mensen van de stad naar het platteland

c)

Het ontstaan van stadswijken door de verhuizing van mensen van het platteland naar de stad

d)

Het verdwijnen van woningen in een buurt en de komst van kantoren en winkels

20.

Juist of onjuist?

Een computer hoort bij het productiemiddel arbeid

a)

Juist

b)

Onjuist

21.

Minder kosten vanwege dezelfde bedrijven om je heen noem je....

a)

Demografie

b)

Overschotten

c)

Agglomeratievoordelen

22.

Wat betekent "footloose" in economisch geografische zin?

a)

Een goede film

b)

Dat bedrijven zich overal kunnen vestigen

c)

Het ontbreken van handelsbarrieres

d)

Vernieuwing van de stad

23.

Wanneer spreek je van emigratie?

a)

Wanneer je verhuist naar een andere stad

b)

Wanneer je weggaat uit jouw eigen land

c)

Wanneer jij jouw provincie uit gaat

d)

Wanneer je een land in komt

24.

Welk verdrag zegt dat je vrij kan wonen, werken en reizen door EU-landen?

a)

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

b)

Europese Verklaring van de Rechten van de Mens

c)

Vluchtelingenverdrag van Genève

d)

Verdrag van Schengen

25.

Geef aan welke onderdelen horen bij natuurlijke bevolkingsgroei.

a)

Geboortecijfer

b)

Sterftecijfer

c)

Immigratie

d)

Emigratie

26.

Het migratiesaldo is de som van vestiging en vertrek.

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

Geef aan welke vormen van migratie onder economische migratie vallen.

a)

Vluchtelingen

b)

Arbeidsmigratie

c)

Gezinshereniging

d)

Seizoensmigratie

28.

De bevolking van Nederland gaat in de toekomst groeien door immigranten. Dit is:

a)

Sociale bevolkingsgroei

b)

Natuurlijke bevolkingsgroei

29.

Sociale bevolkingsgroei is

a)

emigratie min immigratie

b)

immigratie min emigratie

c)

sterfte min geboorte

d)

geboorte min sterfte

30.

Na welke oorlog gingen Europese landen samenwerken?

a)

Eerste Wereldoorlog

b)

Tweede Wereldoorlog

c)

Koude Oorlog

d)

Krimoorlog

31.

Juist of onjuist?

Elk land dat lid is van de Europese unie heeft de Euro.

a)

Onjuist

b)

Juist

32.

Sommige landen mogen geen lid worden van de EU. Welke reden klopt niet?

a)

Het land heeft een verouderde industrie

b)

Het land heeft bijna geen toerisme

c)

Het land heeft hele verschillende wetten en regels dan de EU

d)

Het land heeft een te zwakke economie

33.

Europese integratie betekent...

a)

samenwerken op basis van munt de Euro.

b)

allemaal dezelfde cultuur aannemen.

c)

steeds sterkere samenwerking tussen de EU landen.

d)

alle grenzen laten verdwijnen.

34.
In polen werken er meer mensen in de industrie dan in Nederland
a)
Juist
b)
Onjuist
35.
In polen werken er meer mensen in de dienstensector dan in Nederland
a)
Juist
b)
Onjuist
36.
Een Pool verdient gemiddeld (BBP per inwoner) meer dan een Nederlander
a)
Juist
b)
Onjuist
37.
Wat is een voordeel van open Europese grenzen?
a)
Je kan naar meer plekken op vakantie
b)
Minder dure vakanties
c)
Het is goed voor de economie
38.
Waarom hebben sommige Nederlanders minder problemen met Spaanse, Duitse, Engelse of Franse arbeiders dan met Poolse?
a)
Nederlanders kunnen goed de Franse, Spaanse, Duitse en Engelse taal
b)
Arbeiders uit deze landen verdienen evenveel en zijn dus geen concurent
39.
Wat is geen reden om een bedrijf in Polen te starten?
a)
Belastingvoordelen
b)
Veel consumenten
c)
Polen heeft een planeconomie
d)
Polen kent een economische groei
40.
De wisselkoers is hoeveel euro je moet betalen voor een buitenlandse munt
a)
Juist
b)
Onjuist
41.
Polen zit in de Europese Unie
a)
Juist
b)
Onjuist
42.
Wie zijn blij met de komst van Poolse werknemers naar Nederland?
a)
De Poolse regering
b)
Boeren, tuinders en transportbedrijven
c)
Banken
d)
De dienstensector
43.

Hoevaak worden er Europese verkiezingen gehouden?

a)

Om de 2 jaar

b)

Om de 4 jaar

c)

Om de 5 jaar

d)

Om de 10 jaar

44.

Welke Europese instelling verkiezen we rechtstreeks?

a)

Het Europees Parlement

b)

De Europese Commissie

c)

De Raad van de Europese Unie

d)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie

45.

In dit bestuursorgaan vergaderen ministers uit alle EU-landen. Welke ministers dat zijn, hangt af van het onderwerp.

a)

Europees Parlement

b)

Europese Commissie

c)

Raad van ministers

46.

Het ....A.... controleert de ....B.... in de Europese Unie.

a)

A = Europees Parlement

B = Europese Commissie

b)

A = Europese Commissie

B = Europees Parlement

c)

A = Raad van Ministers

B = Europees Parlement

d)

A = Europees Parlement

B = Raad van Ministers

47.

Wie zitten er in het Europees Parlement?

a)

Regeringsleiders van de landen van de EU.

b)

Ministers uit de verschillende EU-landen.

c)

Ambtenaren.

d)

Parlementsleden gekozen door inwoners van de EU-landen.

48.

Deze foto is gemaakt in:

a)

West-Europa

b)

Oost-Europa

49.

Deze foto is gemaakt in:

a)

West-Europa

b)

Oost-Europa

50.

Deze foto is gemaakt in:

a)

West-Europa

b)

Oost-Europa

51.

Deze foto is gemaakt in:

a)

West-Europa

b)

Oost-Europa

52.

Deze foto is gemaakt in:

a)

West-Europa

b)

Oost-Europa

53.

Deze foto is gemaakt in:

a)

West-Europa

b)

Oost-Europa

54.

Welk begrip past het beste deze afbeelding?

a)

Cultuurverspreiding

b)

Cultuurvermenging

c)

Amerikanisering

d)

Kolonie

55.

Uit welke twee cultuurgebieden bestaat Afrika?

a)

Afrikaans en westers

b)

Afrikaans en orthodox

c)

Afrikaans en hindoeïstisch

d)

Afrikaans en islamitisch

56.

Waar vind je de rijstcultuur?

a)

Oost-, Zuid- en Zuidoost-Azië

b)

Rusland en voormalig Sovjet Unie

c)

Latijns- Amerika

d)

Afrika ten zuiden van de Sahara

57.

In het Westerse cultuurgebied wordt veel....

a)

...Frans gesproken

b)

...Duits gesproken

c)

...Nederlands gesproken

d)

...Engels gesproken

58.

Waar in Europa is er hogere welvaart

a)

Midden-Europa

b)

Scandinavie

c)

Zuid-Europa

d)

Oost-Europa

59.

Bekijk de afbeelding:

In nagenoeg elk Europees land is de welvaart het hoogst rondom ...

(a)  

60.

Nederland heeft te maken met een negatief migratiesaldo

a)

Juist

b)

Onjuist

61.

Bekijk de afbeelding:

Dit Zuid-Europees land heeft te maken met negatief migratiesaldo

(a)