wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kernfysica basisbegrippen

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

De kern van een atoom bestaat uit ...

a)

neutronen en elektronen

b)

protonen en elektronen

c)

neutronen en protonen

d)

neutronen, protonen en elektronen

2.

Rondom de kern van een atoom bevinden zich ...

a)

elektronen

b)

neutronen

c)

protonen

d)

elementen

3.

... is het onderdeel van een element dat negatief geladen is.

a)

Een proton

b)

Een elektron

c)

Een neutron

4.

Isotopen zijn atomen met ...

a)

hetzelfde atoomnummer en hetzelfde massagetal.

b)

evenveel protonen als neutronen.

c)

een ander aantal neutronen en hetzelfde aantal protonen.

d)

een ander massagetal en een ander aantal protonen.

5.
Een atoom heeft atoommassa 27 en atoomnummer 11. Hoeveel neutronen zitten er in dit atoom?
a)
27
b)
11
c)
38
d)
16
6.

Atoom X heeft 26 protonen en 30 neutronen.

Van welk element is dit een isotoop? (Gebruik PSE)

a)

He: Helium

b)

Fe: IJzer

c)

Zn: Zink

d)

Ba: Barium

7.

Atoom X heeft 26 protonen en 30 neutronen.

Wat is het atoomnummer van dit element? (Gebruik PSE)

a)

4

b)

26

c)

30

d)

56

8.

Atoom X heeft 26 protonen en 30 neutronen.

Wat is het massagetal van dit element? (Gebruik PSE)

a)

4

b)

26

c)

30

d)

56

9.

Atoom X is Fe-56 en atoom Y heeft een gelijk aantal neutronen als atoom X, maar twee protonen meer.

Wat is het atoomnummer van atoom Y? (Gebruik PSE)

a)

26

b)

28

c)

56

d)

58

10.

Atoom Y bevat 28 protonen en 30 neutronen. Wat is het massagetal van atoom Y? (Gebruik PSE)

a)

2

b)

28

c)

30

d)

58

11.

Atoom Y heeft 28 protonen en een massagetal van 58.

Van welk element is atoom Y? (Gebruik PSE)

a)

He: Helium

b)

Ni: Nikkel

c)

Ce: Cerium

d)

Rn: Radon

12.

Een atoom heeft atoommassa 14 en atoomnummer 6. Hoeveel van elke soort deeltjes bevat dit atoom?

a)

6 protonen, 8 neutronen, 8 elektronen

b)

8 protonen, 6 neutronen, 8 elektronen

c)

6 protonen, 8 neutronen, 6 elektronen

d)

6 protonen, 8 neutronen, 14 elektronen

13.

Je hebt twee loodatomen. De ene heeft atoommassa 206 en de andere heeft atoommassa 210. Deze twee stoffen zijn ...

a)

radioactief

b)

ioniserend

c)

isotopen van elkaar

14.

Einstein formuleerde E = m.c² en hierbij ...

a)

staat E voor energie.

b)

is de eenheid van massa gram.

c)

staat c voor lichtsnelheid.

d)

verdwijnt massa niet, maar komt er energie in de plaats.

e)

is de eenheid van energie Watt.

15.

De specifieke bindingsenergie ...

a)

piekt bij het element Uranium (U)

b)

piekt bij het element IJzer (Fe)