NEW
Font size
WorksheetsGrote grammaticaquiz
Total questions: 45
Worksheet time: 15mins
Welk geslacht hebben de dagen van de week, de maanden van het jaar en de jaargetijden in het Duits?
Mannelijk
Vrouwelijk
Onzijdig
Meervoud
Bij welke geslachten komt de volgende uitzondering voor bij de meervoudsvorming:
Zelfstandige naamwoorden die eindigen op -el, -er, -en veranderen in het meervoud niet.
Mannelijk + Vrouwelijk
Mannelijk + Onzijdig
Vrouwelijk + Onzijdig
Welke van onderstaande woorden horen bij de der-groep?
euer
Ihr
dein
manch
Welk voorzetsel gebruik je om een tijdstip aan te geven?
in
an
für
um
Welke voorzetsels horen bij de 2e naamval?
mit-nach-bei-seit
durch-für-ohne-um
wegen-trotz-statt-infolge
an-auf-hinter-neben
Welke uitgangen komen bij het werkwoord "kaufen"?
e - est - et - en - et - en
e - st - t - en - t - en
e - t - t - en - t - en
Wat is de juiste werkwoordsvorm in de volgende zin:
Er ………. jede Nacht 9 Stunden.
schlaft
schlafst
schläft
schläfst
Wat is de juiste werkwoordsvorm in de volgende zin:
Ihr …….. wirklich viel zu viel.
isst
issen
esst
essen
Welke van de volgende voltooide deelwoorden is onjuist?
geatmet
versucht
gestudiert
geantwortet
Welke vorm is géén gebiedende wijs vorm?
sei!
Tragt!
Kommen Sie!
Setzen dich!
Welk Modalverb betekent:
mogen (toestemming hebben)?
dürfen
können
mögen
sollen
Wat is de ich-vorm van het werkwoord wollen?
woll
will
wolle
wille
Kies de juiste zin.
Ich wasche meine Haare.
Ich wasche die Haare.
Ich wasche mich die Haare.
Ich wasche mir die Haare.
Hoe maak je in het Duits de toekomende tijd?
sollen + hele werkwoord
werden + hele werkwoord
müssen + hele werkwoord
können + hele werkwoord
Welk woord is géén tegenwoordig deelwoord?
heulend
lachend
zweifelnd
kommend
Welke voegwoord gebruik je als het om een voorwaarde gaat?
wann
wenn
als
Welk voegwoord gebruik ik als er sprake is van een keuze?
oder
ob
Wanneer gebruik ik het woord "dass"?
Als lidwoord
Als betrekkelijk voornaamwoord
Als voegwoord
Welke zin klopt?
Ich freue mich, weil du auch kommen konntest.
Ich freue mich, weil du auch konntest kommen.
Welk woord is géén persoonlijk voornaamwoord?
ihm
es
ihnen
euer
Welke zin klopt?
Die Tasse steht auf dem Tisch.
Die Tasse steht auf den Tisch.
Die Tasse steht auf der Tisch.
Die Tasse steht auf die Tisch.
Welke zin klopt?
Ich freue mich auf den Urlaub.
Ich freue mich auf dem Urlaub.
Ich freue mich auf die Urlaub.
Ich freue mich auf der Urlaub.
Hoeveel verschillen zijn er bij de uitgangen van het bijvoeglijk naamwoord tussen groep 1 (der-groep) en groep 2 (ein-groep)?
3
4
5
6
Welke werkwoordsvorm past in de volgende zin?
Ihr …. viel zu spät.
war
waren
wart
warst
Welke uitgangen komen zowel bij de verleden tijd van de zwakke werkwoorden als bij de verleden tijd van de Modalverben voor?
te - test - tet - ten - tet - ten
t - st - t - en - t - en
te - test - te - ten - tet - ten
et - etest - et - eten - etet - eten
Welke werkwoordsvorm past in de zin?
Du ….. die ganze Zeit vor mir.
stand
standest
standen
standet
Bij welke 2 Modalverben komt bij de zou-vormen géén Umlaut?
dürfen en können
mögen en müssen
sollen en wollen
wissen en wollen
Welke samenvoeging van voorzetsel en lidwoord bestaat niet?
im
ans
zum
zwischens
Welk voorzetsel gebruik je als je "naar" wilt vertalen en het betreft personen?
zu
nach
in
an
Welke zin klopt?
Er steht vor der Tür.
Er steht für die Tür.
Ik wil "maar" vertalen en het betreft een tegenstelling. Welke vertaling is dan juist?
nur
aber
sondern
Hoe maakt je in het Duits een Komparativ (vergrotende trap)?
stellende trap + st
am + stellende trap + sten
stellende trap + er
Welke combinatie klopt niet?
groß - großer - am großten
viel - mehr - am meisten
gern - lieber - am liebsten
lang - länger - am längsten
Welk woord van vergelijking gebruik je in vergelijkingen met een vergrotende trap.
gleich
wie
als
In welke naamval zijn alle betrekkelijke voornaamwoorden anders dan de woorden uit de der-groep?
1e
2e
3e
4e
Welke vorm klopt niet?
wer
wes
wem
wen
Welk werkwoord is niet scheidbaar?
mitmachen
besuchen
anfangen
aufhören
Welke stelling klopt?
Als je in het Nederlands "om" weg kunt laten, moet je "um" in het Duits weglaten.
Als je in het Nederlands "om" weg kunt laten, mag je "um" in het Duits weglaten.
Als je in het Nederlands "om" weg kunt laten, moet je "um" in het Duits gebruiken.
Als je in het Nederlands "om" weg kunt laten, mag je "um" in het Duits gebruiken.
Welke uitgangen horen in de volgende zin te staan?
Dies___ alt___ Mann ist nett.
Diese alte
Dies alter
Dieser alte
Dieser alter
Welke uitgangen horen in de volgende zin te staan?
Mein___ klein___ Kind ist süß.
Meines kleine
Mein kleine
Meines kleine
Mein kleines
Welke uitgangen horen in de volgende zin te staan?
Alt___ Menschen haben immer eine Meinung.
Alter
Alten
Alte
Altes
Welk woord is géén zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord?
Angestellte
Beamte
Bekannte
Frau
Welke zin is juist?
Wie hast du das können machen?
Ich weiß nicht, warum er mich kommen lassen hat.
Ich bleibe hier, weil ich erst noch was essen will.
Wat is de juiste vertaling van "toen" in de volgende zin?
……… gab es noch keine Straßenbahn.
Als
Damals
Sonst
Anders
Wat is de juiste vertaling van "als" in de volgende zin?
Er arbeitet dort ……. Arzt.
wie
als
ganz
gar
