wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grote grammaticaquiz

Total questions: 45

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Welk geslacht hebben de dagen van de week, de maanden van het jaar en de jaargetijden in het Duits?

a)

Mannelijk

b)

Vrouwelijk

c)

Onzijdig

d)

Meervoud

2.

Bij welke geslachten komt de volgende uitzondering voor bij de meervoudsvorming:

Zelfstandige naamwoorden die eindigen op -el, -er, -en veranderen in het meervoud niet.

a)

Mannelijk + Vrouwelijk

b)

Mannelijk + Onzijdig

c)

Vrouwelijk + Onzijdig

3.

Welke van onderstaande woorden horen bij de der-groep?

a)

euer

b)

Ihr

c)

dein

d)

manch

4.

Welk voorzetsel gebruik je om een tijdstip aan te geven?

a)

in

b)

an

c)

für

d)

um

5.

Welke voorzetsels horen bij de 2e naamval?

a)

mit-nach-bei-seit

b)

durch-für-ohne-um

c)

wegen-trotz-statt-infolge

d)

an-auf-hinter-neben

6.

Welke uitgangen komen bij het werkwoord "kaufen"?

a)

e - est - et - en - et - en

b)

e - st - t - en - t - en

c)

e - t - t - en - t - en

7.

Wat is de juiste werkwoordsvorm in de volgende zin:

Er ………. jede Nacht 9 Stunden.

a)

schlaft

b)

schlafst

c)

schläft

d)

schläfst

8.

Wat is de juiste werkwoordsvorm in de volgende zin:

Ihr …….. wirklich viel zu viel.

a)

isst

b)

issen

c)

esst

d)

essen

9.

Welke van de volgende voltooide deelwoorden is onjuist?

a)

geatmet

b)

versucht

c)

gestudiert

d)

geantwortet

10.

Welke vorm is géén gebiedende wijs vorm?

a)

sei!

b)

Tragt!

c)

Kommen Sie!

d)

Setzen dich!

11.

Welk Modalverb betekent:

mogen (toestemming hebben)?

a)

dürfen

b)

können

c)

mögen

d)

sollen

12.

Wat is de ich-vorm van het werkwoord wollen?

a)

woll

b)

will

c)

wolle

d)

wille

13.

Kies de juiste zin.

a)

Ich wasche meine Haare.

b)

Ich wasche die Haare.

c)

Ich wasche mich die Haare.

d)

Ich wasche mir die Haare.

14.

Hoe maak je in het Duits de toekomende tijd?

a)

sollen + hele werkwoord

b)

werden + hele werkwoord

c)

müssen + hele werkwoord

d)

können + hele werkwoord

15.

Welk woord is géén tegenwoordig deelwoord?

a)

heulend

b)

lachend

c)

zweifelnd

d)

kommend

16.

Welke voegwoord gebruik je als het om een voorwaarde gaat?

a)

wann

b)

wenn

c)

als

17.

Welk voegwoord gebruik ik als er sprake is van een keuze?

a)

oder

b)

ob

18.

Wanneer gebruik ik het woord "dass"?

a)

Als lidwoord

b)

Als betrekkelijk voornaamwoord

c)

Als voegwoord

19.

Welke zin klopt?

a)

Ich freue mich, weil du auch kommen konntest.

b)

Ich freue mich, weil du auch konntest kommen.

20.

Welk woord is géén persoonlijk voornaamwoord?

a)

ihm

b)

es

c)

ihnen

d)

euer

21.

Welke zin klopt?

a)

Die Tasse steht auf dem Tisch.

b)

Die Tasse steht auf den Tisch.

c)

Die Tasse steht auf der Tisch.

d)

Die Tasse steht auf die Tisch.

22.

Welke zin klopt?

a)

Ich freue mich auf den Urlaub.

b)

Ich freue mich auf dem Urlaub.

c)

Ich freue mich auf die Urlaub.

d)

Ich freue mich auf der Urlaub.

23.

Hoeveel verschillen zijn er bij de uitgangen van het bijvoeglijk naamwoord tussen groep 1 (der-groep) en groep 2 (ein-groep)?

a)

3

b)

4

c)

5

d)

6

24.

Welke werkwoordsvorm past in de volgende zin?

Ihr …. viel zu spät.

a)

war

b)

waren

c)

wart

d)

warst

25.

Welke uitgangen komen zowel bij de verleden tijd van de zwakke werkwoorden als bij de verleden tijd van de Modalverben voor?

a)

te - test - tet - ten - tet - ten

b)

t - st - t - en - t - en

c)

te - test - te - ten - tet - ten

d)

et - etest - et - eten - etet - eten

26.

Welke werkwoordsvorm past in de zin?

Du ….. die ganze Zeit vor mir.

a)

stand

b)

standest

c)

standen

d)

standet

27.

Bij welke 2 Modalverben komt bij de zou-vormen géén Umlaut?

a)

dürfen en können

b)

mögen en müssen

c)

sollen en wollen

d)

wissen en wollen

28.

Welke samenvoeging van voorzetsel en lidwoord bestaat niet?

a)

im

b)

ans

c)

zum

d)

zwischens

29.

Welk voorzetsel gebruik je als je "naar" wilt vertalen en het betreft personen?

a)

zu

b)

nach

c)

in

d)

an

30.

Welke zin klopt?

a)

Er steht vor der Tür.

b)

Er steht für die Tür.

31.

Ik wil "maar" vertalen en het betreft een tegenstelling. Welke vertaling is dan juist?

a)

nur

b)

aber

c)

sondern

32.

Hoe maakt je in het Duits een Komparativ (vergrotende trap)?

a)

stellende trap + st

b)

am + stellende trap + sten

c)

stellende trap + er

33.

Welke combinatie klopt niet?

a)

groß - großer - am großten

b)

viel - mehr - am meisten

c)

gern - lieber - am liebsten

d)

lang - länger - am längsten

34.

Welk woord van vergelijking gebruik je in vergelijkingen met een vergrotende trap.

a)

gleich

b)

wie

c)

als

35.

In welke naamval zijn alle betrekkelijke voornaamwoorden anders dan de woorden uit de der-groep?

a)

1e

b)

2e

c)

3e

d)

4e

36.

Welke vorm klopt niet?

a)

wer

b)

wes

c)

wem

d)

wen

37.

Welk werkwoord is niet scheidbaar?

a)

mitmachen

b)

besuchen

c)

anfangen

d)

aufhören

38.

Welke stelling klopt?

a)

Als je in het Nederlands "om" weg kunt laten, moet je "um" in het Duits weglaten.

b)

Als je in het Nederlands "om" weg kunt laten, mag je "um" in het Duits weglaten.

c)

Als je in het Nederlands "om" weg kunt laten, moet je "um" in het Duits gebruiken.

d)

Als je in het Nederlands "om" weg kunt laten, mag je "um" in het Duits gebruiken.

39.

Welke uitgangen horen in de volgende zin te staan?

Dies___ alt___ Mann ist nett.

a)

Diese alte

b)

Dies alter

c)

Dieser alte

d)

Dieser alter

40.

Welke uitgangen horen in de volgende zin te staan?

Mein___ klein___ Kind ist süß.

a)

Meines kleine

b)

Mein kleine

c)

Meines kleine

d)

Mein kleines

41.

Welke uitgangen horen in de volgende zin te staan?

Alt___ Menschen haben immer eine Meinung.

a)

Alter

b)

Alten

c)

Alte

d)

Altes

42.

Welk woord is géén zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord?

a)

Angestellte

b)

Beamte

c)

Bekannte

d)

Frau

43.

Welke zin is juist?

a)

Wie hast du das können machen?

b)

Ich weiß nicht, warum er mich kommen lassen hat.

c)

Ich bleibe hier, weil ich erst noch was essen will.

44.

Wat is de juiste vertaling van "toen" in de volgende zin?

……… gab es noch keine Straßenbahn.

a)

Als

b)

Damals

c)

Sonst

d)

Anders

45.

Wat is de juiste vertaling van "als" in de volgende zin?

Er arbeitet dort ……. Arzt.

a)

wie

b)

als

c)

ganz

d)

gar