wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T3 | H7 Ademen en eten | 7.1 + 7.2 + 7.4

Total questions: 48

Worksheet time: 2hrs 36mins

Name
Class
Date
1.

Bekijk de afbeelding. Welk orgaan wordt aangegeven met nummer 1?

(a)  

2.

Bekijk de afbeelding. Welk orgaan wordt aangegeven met nummer 5?

(a)  

3.

Bekijk de afbeelding. Welk orgaan wordt aangegeven met nummer 7?

(a)  

4.

In bovenstaande afbeelding is de samenwerking van organenstelsels voor de verbranding weergeven.

De nummers 1, 2 en 3 staan voor stoffen die worden vervoert via het bloed.

Welke stof hoort bij nummer 1?

(a)  

5.

Vul in:

zuurstof + glucose --> [ ? ? ? ] + water + energie

(a)  

6.

De juiste volgorde van klein naar groot is...

a)

Cel --> Weefsel --> Orgaan --> Orgaanstelsel --> Organisme

b)

Organisme --> Orgaanstelsel --> Orgaan --> Weefsel --> Cel

c)

Cel --> Orgaan --> Weefsel --> Organisme --> Orgaanstelsel

d)

Weefsel --> Cel --> Orgaanstelsel --> Orgaan --> Organisme

7.

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie is een...

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Orgaanstelsel

8.

Een orgaanstelsel is...

a)

Een onderdeel van het lichaam met een bepaalde taak

b)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

Een groep organen die samenwerken aan een grotere taak

9.

Orgaanstelsels moeten samen werken, omdat ze alleen een grote taak zoals bewegen niet uit kunnen voeren

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

11.

Om te kunnen bewegen hebben onze spieren brandstoffen nodig. Welke orgaanstelsels werken samen om je spieren van brandstoffen te voorzien? Tik de stelsels aan.

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Ademhalingsstelsel

c)

Verteringsstelsel

d)

Zenuwstelsel

12.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

13.

Water is een afvalstof van de verbranding. Hoe kun je deze afvalstof uitscheiden? Tik de juiste antwoorden aan

a)

Uitademen

b)

Uitplassen

c)

Uitzweten

d)

Uitpoepen

14.

Tik alle stoffen aan die door de longen worden uitgescheiden

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Water

15.

Wanneer het glucosegehalte in het bloed te hoog is, geeft de alvleesklier deze stof af

a)

Glucose

b)

Insuline

c)

Glucagon

d)

Glycogeen

16.

Wanneer het glucosegehalte in het bloed te laag is, geeft de alvleesklier deze stof af

a)

Glucose

b)

Insuline

c)

Glucagon

d)

Glycogeen

17.

Glycogeen is...

a)

De opgeslagen vorm van glucose

b)

Een hormoon dat de bloedsuikerspiegel laat stijgen

c)

Een hormoon dat de bloedsuikerspiegel laat dalen

18.

Vul in:

Bij suikerziekte maakt het lichaam te weinig aan van het hormoon [ ??? ] of is het hiervoor ongevoelig geworden.

(a)  

19.

Dit hormoon uit de bijnieren zorgt voor het ''vechten of vluchten'' respons. Hierbij wordt het proces van glycogeen omzetten in glucose versnelt. Je hebt meer om te verbranden en bent zo extra alert.

(a)  

20.

Welke beschrijving hoort bij het begrip?


Vertering is...

a)

het met verteringssappen kleiner maken van voedingsstoffen

b)

eten en daarna moeten poepen

c)

de bewegingen die je darmen maken om de voedselbrij voort te duwen

21.

Peristaltische bewegingen zijn...

a)

de beweging van je darmen waarmee een voedselbrij wordt voortgeduwd

b)

bewegingen die ervoor zorgen dat je buikpijn krijgt

c)

een gek dansje

22.

Wanneer je eet gaat de doorgeslikte voedselbrij via je ... naar je maag. Welk orgaan moet op de puntjes?

a)

Slokdarm

b)

Luchtpijp

c)

Darmen

d)

Lever

23.

Bij het slikreflex worden de luchtpijp en neusholte afgesloten zodat hier geen voedsel in komt. Welk onderdeel sluit de neusholte af?

a)

Strotklepje

b)

Huig

c)

Stembanden

d)

Tong

24.

Bij het slikreflex worden de luchtpijp en neusholte afgesloten zodat hier geen voedsel in komt. Welk onderdeel sluit de luchtpijp af?

a)

Strotklepje

b)

Huig

c)

Stembanden

d)

Tong

25.

Water is een afvalstof van de verbranding. Hoe kun je deze afvalstof uitscheiden? Tik de juiste antwoorden aan

a)

Uitademen

b)

Uitplassen

c)

Uitzweten

d)

Uitpoepen

26.

Op bovenstaande afbeelding is een longblaasje schematisch weergeven. De groene en de gele pijl geven de uitwisseling van stoffen tussen het longblaasje en het bloed aan.


Welke stof moet er bij de gele pijl staan?

a)

Koolstofdioxide

b)

Zuurstof

c)

Stikstof

d)

Glucose

27.

Op bovenstaande afbeelding is een longblaasje schematisch weergeven. De groene en de gele pijl geven de uitwisseling van stoffen tussen het longblaasje en het bloed aan.


Welke stof moet er bij de groene pijl staan?

a)

Koolstofdioxide

b)

Zuurstof

c)

Stikstof

d)

Glucose

28.

Welk onderdeel van de longen is er op dit plaatje te zien?

a)

Longblaasjes

b)

Bronchiën

c)

Kraakbeenringen

d)

Slijmcellen

29.

De uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide noemen we...

a)

Gaswisseling

b)

Ademhaling

c)

Verbranding

d)

Uitscheiding

30.

Wanneer je inademt is je middenrif...

a)

Aangespannen: Het middenrif trekt plat

b)

Ontspannen: Het middenrif wordt boller

31.

Wanneer je uitademt zijn je ribspieren...

a)

Aangespannen: De borstkast wordt breder

b)

Ontspannen: De ribben zakken omlaag

32.

Op bovenstaande afbeelding zijn de onderdelen van de longen weergeven.


Welk onderdeel wordt aangegeven door nummer 1?

a)

Luchtpijp

b)

Bronchiën

c)

Luchtpijptakjes

d)

Longblaasjes

33.

Op bovenstaande afbeelding zijn de onderdelen van de longen weergeven.


Welk onderdeel wordt aangegeven door nummer 2?

a)

Luchtpijp

b)

Bronchiën

c)

Luchtpijptakjes

d)

Longblaasjes

34.

Op bovenstaande afbeelding zijn de onderdelen van de longen weergeven.


Welk onderdeel wordt aangegeven door nummer 4?

a)

Luchtpijp

b)

Bronchiën

c)

Luchtpijptakjes

d)

Longblaasjes

35.

Een ‘’stolpmodel’’ zoals boven weergeven kan gebruikt worden om de werking van de ademhaling te demonstreren.


Welk orgaan stelt het rubber dat gespannen is onderaan de stolp voor?

(a)  

36.

Op het plaatje links wordt het ''middenrif'' van het longmodel aangespannen.


Bij aanspanning van het middenrif vind er ... plaats

a)

Inademing

b)

Uitademing

37.

De plooien in je dunne darm bevatten veel bloedvaatjes om voedingsstoffen snel op te nemen

a)

Waar

b)

Niet waar

38.

Welke voedingsstof(fen) worden verteert door alvleessap? Tik ze aan

a)

Koolhydraten

b)

Vetten

c)

Eiwitten

39.

Welke voedingsstof(fen) worden verteert door maagsap? Tik ze aan

a)

Koolhydraten

b)

Vetten

c)

Eiwitten

40.

Welke voedingsstoffen kunnen meteen in je bloed opgenomen worden? Tik ze allemaal aan.

a)

Water

b)

Vitaminen

c)

Mineralen

d)

Koolhydraten

e)

Vetten

41.

Welke beschrijving hoort bij het begrip?


Vertering is...

a)

het met verteringssappen kleiner maken van voedingsstoffen

b)

eten en daarna moeten poepen

c)

de bewegingen die je darmen maken om de voedselbrij voort te duwen

42.

Peristaltische bewegingen zijn...

a)

de beweging van je darmen waarmee een voedselbrij wordt voortgeduwd

b)

bewegingen die ervoor zorgen dat je buikpijn krijgt

c)

een gek dansje

43.

Bij het slikreflex worden de luchtpijp en neusholte afgesloten zodat hier geen voedsel in komt. Welk onderdeel sluit de luchtpijp af?

a)

Strotklepje

b)

Huig

c)

Stembanden

d)

Tong

44.

Bij het slikreflex worden de luchtpijp en neusholte afgesloten zodat hier geen voedsel in komt. Welk onderdeel sluit de neusholte af?

a)

Strotklepje

b)

Huig

c)

Stembanden

d)

Tong

45.

Welk orgaan moet ingevuld worden?

Wanneer iemand diarree heeft is er iets mis met de [???]. Deze is namelijk verantwoordelijk voor de opname van water uit de ontlasting.

(a)  

46.

Bij rokers bedekt deze kankerverwekkende stof de longblaasjes waardoor ze sneller buiten adem zijn

a)

Teer

b)

Nicotine

c)

Koolstofmonoxide

47.

Deze stoffen knippen grote voedingsstoffen klein zodat ze in het bloed opgenomen kunnen worden

(a)  

48.

Welk begrip moet er op [A] staan? en [B]? Tik aan.


De dunne darm heeft een groot oppervlak voor snelle opname van voedingstoffen. Dit komt doordat de darm vanbinnen uitstulpingen heeft.

De grotere uitstulpingen noemen we [A], hierop zitten ook nog kleinere [B] die helemaal doorlopen zijn met kleine bloedvaten.

a)

A = Darmplooien

b)

A = Darm oppervlak

c)

A = Slijmcellen

d)

B = Darmvlokken

e)

B = Darmhaartjes