wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

28 Het uiterlijk

Total questions: 10

Worksheet time: 2mins

Name
Class
Date
1.

Ze draagt een beugel.

a)
b)
c)
2.

Welke zin is juist?

a)

Ze heeft korte blonde haar.

b)

Ze heeft kort blond haar.

c)

Haar haar is korte en blonde.

d)

Ze heeft lang blond haar.

3.

Wat is een "snor"?

a)
b)
c)
d)
4.

Welke zin is NIET juist?

a)

Ze draagt een blauwe lange broek.

b)

Haar broek is lang en blauw.

c)

Ze draagt een blauw lang broek

d)

De blauwe lange broek die ze draagt is mooi.

5.

Wat zijn "rimpels"?

a)
b)
c)
d)
6.

Ze heeft steil haar.

a)
b)
c)
d)
7.

Hij draagt een ... hemd.

a)

rood

b)

rode

c)

roode

d)

rodde

8.
a)

Hij heeft een hoed.

b)

Hij heeft een pet.

c)

Hij heeft een sjaal.

d)

Hij heeft een muts.

9.

Welke zin is juist?

a)

Haar ogen zijn kleine en bruine.

b)

Haar ogen zijn klein en bruin.

c)

Haar klein bruine ogen.

d)

Haar klein bruin ogen.

10.

Wat is "kaal"?

a)
b)
c)
d)