wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Geluid 2MHV

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Martin boort een gat in de muur (figuur 1). Tijdens het boren hoort hij een hard geluid.

Welke twee geluidsbronnen veroorzaken het harde geluid?

(a)  

2.

Martin boort een gat in de muur (figuur 1). Tijdens het boren hoort hij een hard geluid.

Wat kan er gebeuren als iemand langdurig wordt blootgesteld aan dit harde geluid?

(a)  

3.

Martin boort een gat in de muur (figuur 1). Tijdens het boren hoort hij een hard geluid.

Hoe kan hij zich tegen dit harde geluid beschermen?

(a)  

4.

Het frequentiebereik van het gehoor is bij mensen anders dan bij dieren.

Wat kun je zeggen over het frequentiebereik bij een hond?

a)

Een hond kan alleen hogere tonen dan een mens horen.

b)

Een hond kan alleen lagere tonen dan een mens horen.

c)

Een hond kan zowel hogere als lagere tonen dan een mens horen.

d)

Een hond heeft hetzelfde frequentiebereik als een mens.

5.

Een violist wil de snaar met de hoogste frequentie iets hoger stemmen.

Hoe doet hij dat?

a)

Hij doet dat door de snaar dikker te maken.

b)

Hij doet dat door de snaar losser te maken.

c)

Hij doet dat door de snaar langer te maken.

d)

Hij doet dat door de snaar strakker te maken.

6.

In figuur 4 zie je zes verschillende oscilloscoopbeelden van tonen.

a Is toon A harder, zachter of even hard als toon C?

b Is toon A hoger, lager of even hoog als toon C?

c Is toon B harder, zachter of even hard als toon D?

d Is toon B hoger, lager of even hoog als toon D?

e Is toon E harder, zachter of even hard als toon F?

a)

Toon A is harder dan Toon B

b)

Toon A is lager dan Toon B

c)

Toon C is zachter dan Toon D

d)

Toon C is hoger dan Toon D

e)

Toon E is even hoog als Toon F

7.

In de ruimte tussen de sterren kun je geen geluid horen.

Hoe komt dat?

a)

Er is daar een te hoge druk.

b)

Er is daar geen licht.

c)

Er is daar geen tussenstof.

d)

Er is daar geen zwaartekracht.

8.

Wat wordt bedoeld met de gehoordrempel?

a)

Je begint het geluid net te horen.

b)

Je gehoor begint niet te protesteren.

c)

Je gehoor loopt schade op.

d)

Je krijgt pijn aan je oren.

9.

Hermke slaat een stemvork aan, die daardoor een toon gaat produceren. Deze toon wordt steeds zachter.

Welke van de volgende beweringen is juist?

a)

De amplitude blijft even groot en de frequentie neemt af.

b)

De amplitude en de frequentie blijven allebei even groot.

c)

De amplitude en de frequentie nemen allebei af.

d)

De amplitude neemt af en de frequentie blijft even groot.

10.

Je hoort geluid met je oren.

Wat gaat er in je oren trillen, waardoor je geluid hoort?

a)

de conus

b)

de oorschelp

c)

het trommelvlies

d)

de zintuigcellen

11.

De geluidssterkte kun je meten.

De geluidssterkte meet je in:

a)

dB(A)

b)

Hz

c)

mm

d)

m/s

12.

Geleerden hebben ontdekt dat dolfijnen diep in de zee geluid maken en zo met elkaar ‘praten.

Door welke tussenstof verplaatst het geluid zich van de ene naar de andere dolfijn?

(a)  

13.

In het dolfinarium roepen trainers de dolfijnen soms met behulp van een fluitje.

Door welke tussenstoffen verplaatst het geluid zich dan?

(a)  

14.

Lia sluit een toongenerator aan op een oscilloscoop. In figuur 5 is getekend wat Lia ziet als ze de toongenerator aanzet. De oscilloscoop is zo afgesteld dat je het aantal trillingen in 0,005 s te zien krijgt.

Vul in: In figuur 5 heb je … trillingen in 0,005 seconden.

(a)  

15.

Lia sluit een toongenerator aan op een oscilloscoop. In figuur 5 is getekend wat Lia ziet als ze de toongenerator aanzet. De oscilloscoop is zo afgesteld dat je het aantal trillingen in 0,005 s te zien krijgt.

Vul in: In 1 seconde gaan …× zo veel trillingen als in 0,005 seconden.

(a)  

16.

Lia sluit een toongenerator aan op een oscilloscoop. In figuur 5 is getekend wat Lia ziet als ze de toongenerator aanzet. De oscilloscoop is zo afgesteld dat je het aantal trillingen in 0,005 s te zien krijgt.

Vul in: De frequentie is dus … × … = …

(a)  

17.

Een trillende gitaarsnaar voert in een halve minuut 6000 trillingen uit. Wat is de frequentie van deze trillingen?

a)

1/6000 = 0,000167 Hz

b)

30 x 6000 = 180000 Hz

c)

6000 : 30 = 200 Hz

d)

6000 : 0,5 = 12000 Hz

18.

In figuur 7 zijn een viool en een contrabas getekend.

Welke van deze muziekinstrumenten geeft de laagste tonen?

a)

De bas vanwege de grote klankkast

b)

De viool vanwege de dunnere snaren

c)

De viool vanwege de kleine klankkast

d)

De bas vanwege de dikkere snaren.

19.

Een boer wil dat het loeien van de koeien minder overlast geeft voor de buurt. Hij kiest voor een maatregel die het geluid aan de bron beperkt.

Welke maatregel is dat?

a)

De buurtbewoners krijgen allemaal oordopjes

b)

Er wordt een bos gepland tussen de stal en de buurt

c)

Er wordt een geluidswal om de stal gebouwd