wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1v Leestekens verwijswoorden vaste voorzetsels

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat is goed geschreven?

a)

Nog even knallen voor de toetsweek, zei Anna.

b)

'Nog even knallen voor de toetsweek', zei Anna.

c)

'Nog even knallen voor de toetsweek, zei Anna'.

d)

'Nog even knallen voor de toetsweek,' zei Anna.

2.

Schrijf correct op: vader moet veel kopen melk vlees eieren en spinazie

4 lines
3.

Zet in de directe rede: De docent zegt dat je nog even door moet zetten.

4 lines
4.

Hij zei dat hij ook nog veel moest leren.

a)

De zin bevat directe rede.

b)

De zin bevat indirecte rede.

5.

De docent geeft ... een proeftoets.

a)

hun

b)

hen

c)

zij

6.

(die, dit, deze, dat, wat): De leerlingen ... daar zitten, zijn druk bezig.

(a)  

7.

(die, dit, deze, dat, wat): De leerlingen zijn goed bezig, ... de docent zeer waardeert.

(a)  

8.

(die, dit, deze, dat, wat): Het antwoordblad ... daar ligt, kun je gebruiken om na te kijken.

(a)  

9.

(die, dit, deze, dat, wat): Dit is het lekkerste ... ik ooit geproefd heb.

(a)  

10.

De mentor geeft de rapporten aan ...

a)

hun

b)

hen

c)

zij

11.

De politie geeft ... medewerkers een extraatje.

a)

zijn

b)

hun

c)

haar

d)

ze

12.

De vriend van het meisje heeft ... teen gestoten.

a)

zijn

b)

haar

c)

hun

d)

ze

13.

Ze laat zich verleiden ... een uurtje uitslapen.

a)

met

b)

door

c)

tot

d)

naar

14.

Ik reken ... de inzet van iedereen.

a)

met

b)

naar

c)

over

d)

op

15.

Gisteren maakte ik kennis ... een nieuwe klasgenoot.

a)

met

b)

naast

c)

op

d)

voor

16.

(Welke voorzetsels, typ ze allebei zonder hoofdletters en met alleen een spatie ertussen) Leren doe ik ... behulp ... een goede planning.

(a)  

17.

De jongen ... ik naar huis fiets, is mijn beste vriend.

a)

waarmee

b)

met wie

18.

De hond ... ik wandel, heet Pollewop.

a)

met wie

b)

waarmee

19.

Ik ben goed voorbereid op de toets van Nederlands!

a)

Ja, zeker weten!

b)

Ja, dat denk ik wel.

c)

Nee, ik moet nog veel leren.

d)

Nee en dat gaat me niet lukken.