Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De Grote Jaarquiz Nederlands 3VK

Total questions: 30

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noem je deze werkwoordsvorm?


De zwerver liep bedelend door de stad.

a)

Voltooid deelwoord

b)

Onvoltooid deelwoord

c)

persoonsvorm tegenwoordige tijd

d)

persoonsvorm verleden tijd

2.

Hoe noem je deze werkwoordsvorm?


De bedelende zwerver was zielig.

a)

Voltooid deelwoord

b)

Onvoltooid deelwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Gebiedende wijs

3.

Hoofdzin of bijzin?


Daan houdt niet van mosselen, want hij houdt niet van vis.

a)

Hoofdzin + hoofdzin

b)

Hoofdzin + bijzin

c)

Bijzin + bijzin

4.

Hoofdzin of bijzin?


Daan houdt niet van mosselen, omdat hij niet van vis houdt.

a)

Hoofdzin + hoofdzin

b)

Hoofdzin + bijzin

c)

Bijzin + bijzin

5.

Selecteer de nevenschikkende voegwoorden.

a)

Terwijl

b)

En

c)

Omdat

d)

Want

6.

Selecteer de onderschikkende voegwoorden.

a)

En

b)

Terwijl

c)

Waardoor

d)

Omdat

7.

Wat is het koppelwerkwoord?


Mijn vriendin zou psycholoog willen worden.

a)

zou

b)

psycholoog

c)

willen

d)

worden

8.

Bijwoordelijke bepaling of voorzetselvoorwerp?


"Hij is aan het gluren naar de jongen."


Naar de jongen =

a)

bijwoordelijke bepaling

b)

voorzetselvoorwerp

9.

Bijwoordelijke bepaling of voorzetselvoorwerp?


"Kees wordt op school verwacht tegen tien uur"


Tegen tien uur =

a)

Bijwoordelijke bepaling

b)

Voorzetselvoorwerp

10.

Wat is het naamwoordelijk gezegde?


Zou deze schilder net zo beroemd als Rembrandt kunnen worden?

a)

zou [beroemd kunnen] worden

b)

zou [beroemd] kunnen worden

c)

zou beroemd [kunnen worden]

d)

[zou beroemd] kunnen worden

11.

Wat is het lijdend voorwerp?


Op uw verzoek zenden wij u deze brochure over onze vakantiehuisjes toe.

a)

Op uw verzoek

b)

Deze brochure

c)

Deze brochure over onze vakantiehuisjes

d)

Onze vakantiehuisjes

12.

Wat is het meewerkend voorwerp?


Kan een arts bij langdurige verkoudheid zijn patiënt een medicijn voorschrijven?

(a)  

13.

Wat is het meewerkend voorwerp?


De meeste vrouwen schijnen hun baby bij voorkeur in de linkerarm te dragen.

a)

de meeste vrouwen

b)

in de linkerarm

c)

hun baby

d)

er is geen meewerkend voorwerp

14.

Hen of hun?


Astrid noteert hun op de lijst.

Astrid noteert hen op de lijst.

a)

hen

b)

hun

c)

allebei

15.

Wat is de juiste spelling?


marianne betzema ten brink

a)

Marianne Betzema Ten Brink

b)

Marianne Betzema-ten Brink

c)

Marianne Betzema-Ten-Brink

d)

Marianne Betzema-tenBrink

16.

Welke beeldspraak?


Mijn hart zei me het voorstel maar te accepteren.

a)

Vergelijking

b)

Metafoor

c)

Personificatie

d)

Metonymie

17.

Welke beeldspraak?


Hij vroeg de ouders de hand van hun dochter.

a)

Vergelijking

b)

Metafoor

c)

Personificatie

d)

Metonymie

18.

Welke tekststructuur hoort bij deze omschrijving?


'Er worden verschillende aspecten over het onderwerp besproken.'

(a)  

19.

Hoe heet deze beeldspraak?


Hij is zo rood als een tomaat.

a)

Metafoor

b)

Vergelijking

c)

Hyperbool

d)

Understatement

20.

Hoe heet deze beeldspraak?


Ik ben dood- en doodmoe.

a)

Vergelijking

b)

Metafoor

c)

Hyperbool

d)

Understatement

21.

In welke vorm staat deze zin?


Vannacht is er ingebroken in de mediatheek van onze school.

a)

Lijdende vorm

b)

Bedrijvende vorm

22.

Hoe heet deze stijlfout?


Het wangedrag van de supporters rijst de spuigaten uit.

a)

Contaminatie

b)

Pleonasme

c)

Tautologie

23.

Hoe heet deze stijlfout?


Wat een vieze stank!

a)

Contaminatie

b)

Pleonasme

c)

Tautologie

24.

Wat is een nevenschikkende argumentatie?

a)

Twee argumenten worden samen gebruikt om een standpunt te ondersteunen. De argumenten werken alleen in combinatie met elkaar; los van elkaar hebben ze geen kracht.

b)

Er worden argumenten gebruikt die elkaar ondersteunen.

c)

Een mengvorm van argumenten die elkaar ondersteunen (onderschikkend) en argumenten die afhankelijk van elkaar zijn (nevenschikkend).

25.

Noem een vragend voornaamwoord.

(a)  

26.

Hoe heet dit voornaamwoord?


'De sollicitant die als eerste reageerde, was ook de beste.'

(a)  

27.

Verwijs je hiernaar met 'zijn' of 'haar'?


De discotheek, met al (a)   bezoekers, was een groot succes.

28.

Verwijs je hiernaar met 'zijn' of 'haar' of 'het'?


'Heeft u mijn brief ontvangen? Ik zal ... ook nog eens naar u sturen.'

(a)  

29.

Hoe heet deze soort bijzin?


'Na de deur dichtgeslagen te hebben, vertrok hij.'

(a)  

30.

Wat is de moraal van het verhaal?


Nederlands is toch echt wel een mooi vak. Ondanks dat het soms niet altijd even leuk is, weet ik dat het vak Nederlands wel belangrijk is om goed te beheersen, omdat ik het mijn hele verdere leven nodig zal hebben. Mensen zullen mij serieus nemen als ik grammaticaal correcte mails en verslagen schrijf, en mij goed kan uitdrukken tijdens een discussie. Ik word er een beter mens van!

a)

Nederlands is leuk en goed voor je.

b)

Nederlands is niet leuk, maar wel goed voor je.

c)

Een goede beheersing van het Nederlands betekent een succesvolle toekomst.