wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4H/V gedrag

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Waaruit bestaat gedrag?

a)

Uit doelen

b)

Uit impulsen

c)

Uit handelingen

d)

Uit normen en waarden

2.

Een bioloog die diergedrag bestudeert is een

a)

Socioloog

b)

Ecoloog

c)

Etholoog

d)

Psycholoog

3.

Op een internetsite (www.nshd.nl) is deze informatie te vinden.


Twee soorten gedrag zijn: baltsgedrag en territoriumgedrag.

Tot welk soort gedrag behoort het kwaken van de kikkers zoals in de tekst beschreven wordt?

a)

alleen tot baltsgedrag

b)

alleen tot territoriumgedrag

c)

zowel tot baltsgedrag als tot territoriumgedrag

4.

Een leerling krijgt een preparaat van een aantal cellen. Hij gebruikt een normale schoolmicroscoop om het preparaat te bekijken.

Voor het bekijken van het preparaat gebruikt de leerling een objectief waardoor de vergroting 600x wordt. Hij ziet een aantal chromosomen. In de afbeelding hiernaast is de schematische tekening die de leerling hiervan maakt.


Omdat hij denkt dat het beeld niet volledig is, wil hij het preparaat in de richting van de pijl verschuiven.

Als hij het preparaat in de richting van de pijl verplaatst, schuift het beeld juist de andere kant op. Daarna schuift de leerling net zo lang het preparaat allerlei kanten op tot hij de chromosomen in het midden van het beeld ziet.

Welke manier van leren hoort hier bij?

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

inzicht

e)

trial and error

5.

Zanglijsters zijn dol op huisjesslakken. Ze zijn niet sterk genoeg om het slakkenhuis met de snavel open te breken. De lijster pakt met de snavel een slak bij de rand van de opening van het huis en mept daarmee net zo lang op een steen tot het huis breekt. Een bepaalde zanglijster ziet herhaalde malen hoe andere zanglijsters deze aambeeldtechniek uitvoeren, maar neemt de techniek niet over.


Welk leerproces ontbreekt in dit geval bij deze zanglijster?

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

trial and error

6.

Na het uitkomen van de eieren leren de jonge eendjes dat de kip hun ‘moeder’ is.


Hoe wordt deze vorm van leren genoemd?

a)

conditionering

b)

gewenning

c)

trial and error

d)

inprenting

7.

Spreeuwenjongen die pas uit het ei gekomen zijn, hebben hun ogen nog dicht.

Wanneer een ouder op het nest landt, sperren ze onmiddellijk hun bek open.


Wat is de uitwendige prikkel voor dit gedrag van de spreeuwenjongen?

a)

honger

b)

het bewegen van het nest

c)

het ruiken van een worm

d)

het zien van hun ouder

8.

Je fietst langs een ijssalon. Het is warm, je hebt trek (honger) en je ziet je vrienden in de rij staan. Je stapt af en gaat ook in de rij staan voor de ijssalon. Wat is honger in dit geval?

a)

Sleutelprikkel

b)

Inwendige prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Motivatie

e)

Supernormale prikkel

9.

Wat is gedrag?

a)

Alles wat een organisme doet.

b)

Bewuste handelingen van mens en dier.

c)

Alles wat een mens of dier doet.

d)

Onbewuste en bewuste acties van organismen.

10.

Jullie doen een gedragsonderzoek. Wat is de juiste volgorde?

a)

Ethogram - Protocol

b)

Observatie - Protocol - Ethogram - Resultaten

c)

Observatie - Resultaten - Ethogram - Protocol

d)

Observatie - Ethogram - Protocol - Resultaten

11.

Het zuigreflex van jonge katjes (kittens) is een voorbeeld van:

a)

Imiteren

b)

Aangeboren gedrag

c)

Gewenning

d)

Oefenen

12.

Wat is een sleutelprikkel?

a)

Een prikkel die bij voldoende motivatie een reactie oproept.

b)

Een prikkel die reacties stopt.

c)

Een uitwendige prikkel die past op een inwendige prikkel.

d)

Een prikkel die telkens dezelfde reactie oproept.

13.

Wat is een van de belangrijkste functie van gedrag?

a)

Een partner zoeken om te paren

b)

Het overleven van het individu

c)

Het vinden van eten en drinken

d)

Het voortplanten van het dier

14.

Hoe noem je gedrag bij dieren om partners aan te trekken en over te halen tot de paring.

a)

Baltsgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Dreiggedrag

d)

Sociaal gedrag

15.

Hoe noem je de vorm van leren waarbij je een nieuwe strategie bedenkt om tot een oplossing van een probleem te komen?

a)

Inprenting

b)

Gewenning

c)

Inzicht

d)

Imiteren

e)

Trial and error

16.

Hierboven is een deel van een voorbeeld te zien van een ...

a)

Protocol

b)

Ethogram

c)

Diagram

d)

Gedragsketen

17.

Een zwerfkat die al eens eerder gevangen is, zal moeilijker te vangen zijn dan een zwerfkat die niet eerder gevangen is.

Als deze veronderstelling juist is, op welk type leerproces is dit deel van het gedrag van katten dan gebaseerd?

a)

Conditionering

b)

Gewenning

c)

Imitatie

d)

Inprenting

18.

Elk varken heeft in zijn snuit een zogenaamde wroetschijf. Met deze schijf, die veel zintuigen bevat, onderzoekt het dier in een natuurlijke omgeving de grond. Hij zoekt naar voedsel, maar in een hok met een roostervloer valt niet veel te onderzoeken. Een varken begint dan bij een soortgenoot te wroeten en te knabbelen. Het knabbelen gaat over in bijten in de staart. Proeft een varken eenmaal bloed, dan ontstaat jachtgedrag dat typisch is voor varkens, want varkens eten ook vlees. Een aangevreten varken wordt nagejaagd en nog verder aangevreten.


Tot welk soort gedrag behoort het wroeten?

a)

Territoriumgedrag

b)

Verzorgingsgedrag

c)

Fourageergedrag (voedselzoekgedrag)

d)

Voortplantingsgedrag

19.

Een onderzoeker wil de ooglidreflex van het linkeroog bij een proefpersoon conditioneren. Zij heeft de beschikking over een blaasbalgje waarmee zij lucht in het oog kan blazen en een zaklantaarntje, waarmee zij lichtflitsen kan geven. Het is de bedoeling dat het linkeroog van de proefpersoon geconditioneerd wordt op de lichtflits. In welke volgorde moet zij het luchtstootje en de lichtflits aanbieden?

a)

Eerst de lichtflits, dan de luchtstoot

b)

Eerst en luchtstoot, dan de lichtflits

c)

Lichtflits en luchtstoot tegelijkertijd

20.

Mieren dragen dode mieren de mierenhoop uit en brengen de dode mieren naar een afvalhoop. Wanneer een levende mier wordt ingesmeerd met resten van dode mieren, dragen andere mieren dit diertje steeds weer onder verzet van het slachtoffer naar de afvalhoop tot het smeerseltje er helemaal vanaf is.

Welke van de volgende antwoorden biedt de beste verklaring voor dit gedrag?

a)

Mieren kunnen alleen leren door operante conditionering

b)

Het smeersel zet een uitstotingsreactie in gang

c)

De mieren krijgen na verloop van tijd allemaal wat van het smeersel op hun eigen lijf

d)

De mieren gaan door met dit gedrag tot er gewenning optreedt

e)

Het smeerseltje is een sleutelprikkel voor een aangeboren gedragsketen