wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herkansing Nederlands Trede 6 Rood

Total questions: 44

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Wat doe je bij het tekstdoel informeren?

a)

Je leest feiten en geen mening.

b)

Je leest wel de mening van de schrijver.

c)

Je wordt geactiveerd om iets te kopen, ergens lid van te worden of ergens naartoe te gaan.

d)

Je wordt vermaakt.

e)

Er wordt je iets uitgelegd om te doen.

2.

Wat doe je bij het tekstdoel overtuigen?

a)

Je leest feiten en geen mening.

b)

Je leest wel de mening van de schrijver.

c)

Je wordt geactiveerd om iets te kopen, ergens lid van te worden of ergens naartoe te gaan.

d)

Je wordt vermaakt.

e)

Er wordt je iets uitgelegd om te doen.

3.

Wat doe je bij het tekstdoel activeren?

a)

Je leest feiten en geen mening.

b)

Je leest wel de mening van de schrijver.

c)

Je wordt geactiveerd om iets te kopen, ergens lid van te worden of ergens naartoe te gaan.

d)

Je wordt vermaakt.

e)

Er wordt je iets uitgelegd om te doen.

4.

Wat doe je bij het tekstdoel amuseren?

a)

Je leest feiten en geen mening.

b)

Je leest wel de mening van de schrijver.

c)

Je wordt geactiveerd om iets te kopen, ergens lid van te worden of ergens naartoe te gaan.

d)

Je wordt vermaakt.

e)

Er wordt je iets uitgelegd om te doen.

5.

Wat doe je bij het tekstdoel instrueren?

a)

Je leest feiten en geen mening.

b)

Je leest wel de mening van de schrijver.

c)

Je wordt geactiveerd om iets te kopen, ergens lid van te worden of ergens naartoe te gaan.

d)

Je wordt vermaakt.

e)

Er wordt je iets uitgelegd om te doen.

6.

Welk tekstdoel heeft een recept?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Activeren

d)

Amuseren

e)

Instrueren

7.

Welk tekstdoel heeft een krant?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Activeren

d)

Amuseren

e)

Instrueren

8.

Welk tekstdoel heeft een advertentie?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Activeren

d)

Amuseren

e)

Instrueren

9.

Welk tekstdoel heeft een recensie?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Activeren

d)

Amuseren

e)

Instrueren

10.

Wat betekent het dik gedrukte woord:

De veterinair onderzocht onze koeien. Na afloop vroeg ik de dierenarts, of de koeien allemaal gezond waren.

a)

Onderzoeker

b)

Koeien

c)

Dierenarts

d)

Gezond

11.

Wat betekent het dik gedrukte woord:

De houten tafel voelt niet ruw aan. Ik houd wel van glad.

a)

Hout

b)

Tafel

c)

Niet glad

d)

Zacht

12.

Wat betekent het dik gedrukte woord:

De eigenaar had de konijntjes duidelijk verwaarloosd. Ze zagen er slecht uit.

a)

Slecht verzorgd

b)

Geknuffeld

c)

Geslagen

d)

Gedumpt

13.

Wat betekent het dik gedrukte woord:

De cipier sloot de gevangene weer op in zijn cel.

a)

Bewaker

b)

Gevangene

c)

Directeur

d)

Politieagent

14.

Wat zijn hoofdzaken?

a)

De belangrijkste dingen uit de tekst

b)

De minder belangrijke dingen uit de tekst

c)

Je hersenen

d)

Je haar

15.

Welke dingen zijn belangrijk bij het maken van een samenvatting van een tekst?

a)

Hoofdzaken

b)

Bijzaken

16.

Waar staan de hoofdzaken vaak? (meerdere antwoorden zijn goed)

a)

Titel en kopjes

b)

Kernzinnen

c)

In een alinea

d)

In de plaatjes

17.

Wat is een kernzin?

a)

De belangrijkste zin van een alinea

b)

De belangrijkste zin van een tekst

c)

De belangrijkste zin in je leven

d)

De belangrijkste zin die ze vergeten zijn in de tekst te zetten

18.

Waar staat de kernzin vaak?

a)

Eerste, tweede of laatste zin van een alinea

b)

Tweede, derde of laatste zin van een alinea

c)

Eerste zin van een alinea

d)

Laatste zin van een alinea

19.

Wat is een samengestelde zin?

a)

Een zin met twee persoonsvormen

b)

Als de vader een nieuwe vrouw met kinderen heeft

c)

Een heel lange zin

d)

Een korte zin

20.

Een samengestelde zin kan bestaan uit: (twee antwoorden)

a)

Twee hoofdzinnen

b)

Een hoofdzin en een bijzin

c)

Twee bijzinnen

d)

Drie zinnen

21.

Waar herken je een hoofdzin aan?

a)

De persoonsvorm en het onderwerp staan naast elkaar en er kan niets tussen

b)

De persoonsvorm en het onderwerp staan niet naast elkaar

c)

Er staat geen persoonsvorm in

d)

Er staat geen onderwerp in

22.

Waar of niet waar:

Een bijzin kan niet zonder hoofdzin.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Bij welk antwoord is de hoofdzin onderstreept?

a)

Ik zie dat jij een broodje kaas eet.

b)

Ik zie dat jij een broodje kaas eet.

24.

Bij welk antwoord is de hoofdzin onderstreept?

a)

Als we de wedstrijd winnen, zijn we kampioen.

b)

Als we de wedstrijd winnen, zijn we kampioen.

25.

Wat is een standaardtaal?

a)

De taal die je op school leert

b)

De taal die je thuis leert

c)

De taal die je op straat leert

26.

Jan heeft Nederlandse ouders, die spreken sinds zijn geboorte Nederlands tegen hem. Wat is Nederlands voor Jan?

a)

Moedertaal

b)

Straattaal

c)

Dialect

d)

Turks

27.

Mohammed spreekt thuis Turks, op school leert hij Nederlands, Engels en Duits. Wat is zijn moedertaal?

a)

Turks

b)

Nederlands

c)

Engels

d)

Duits

28.

Mohammed spreekt thuis Turks, op school Nederlands. Daar leert hij ook Engels en Duits. Wat is Nederlands voor Mohammed?

a)

Moedertaal

b)

Eerste taal

c)

Tweede taal

d)

Derde taal

29.

Hoe wordt een tweede taal ook wel genoemd?

a)

Rare taal

b)

Vreemde taal

c)

Engels

d)

Duits

30.

Wanneer ben je meertalig?

a)

Als je meer talen vloeiend spreekt

b)

Als je heel goed Nederlands spreekt

c)

Als je naast Nederlands, ook een beetje Engels spreekt

31.

Wat is een dialect

a)

Een taal die in een bepaalde streek gesproken wordt

b)

Een accent

c)

Een buitenlandse taal

d)

Standaardtaal

32.

Welke van deze woorden is een leenwoord?

a)

Ambulance

b)

Koe

c)

Stoel

d)

Tafel

33.

Waarom is het handig om een schrijfplan te maken?

a)

Dan denk je goed na over wat je gaat schrijven

b)

Dat moet van de docent

c)

Dan lijkt het alsof je heel hard werkt

34.

Wat schrijf je in een inleiding?

a)

Waar de tekst over gaat

b)

Een samenvatting van de tekst

c)

Een conclusie

d)

Een heel saai verhaal

35.

Wat is de juiste volgorde?

a)

inleiding - kern - slot

b)

kern - slot - inleiding

c)

slot - inleiding- kern

d)

slot - kern - inleiding

36.

Wat schrijf je in het middenstuk?

a)

Verschillende deelonderwerpen in verschillende alinea's

b)

Een samenvatting

c)

Een tekst om de lezer nieuwsgierig te maken naar de rest

d)

Niets boeiends

37.

Wat schrijf je vaak in het slot

a)

Een conclusie of samenvatting

b)

Een leuk verhaaltje

c)

Een tekst om de lezer nieuwsgierig te maken

d)

Niets boeiends, een slot is niet nodig

38.

Wat betekent letterlijk taalgebruik?

a)

Dat je iets zegt zoals je het bedoelt

b)

Dat je iets anders bedoelt dan je zegt

c)

Met de deur in huis vallen

d)

De sterren van de hemel zingen

39.

Letterlijk of figuurlijk:

De koe bij de horens vatten

a)

Letterlijk (je pakt een koe bij de horens beet)

b)

Figuurlijk (je gaat ergens flink mee aan de slag)

40.

Letterlijk of figuurlijk:

De wind van voren krijgen

a)

Letterlijk (je hebt tegenwind tijdens het fietsen)

b)

Figuurlijk (je krijgt flink op je kop)

41.

Letterlijk of figuurlijk:

Je huiswerk inleveren

a)

Letterlijk (je levert je huiswerk in)

b)

Figuurlijk (je hebt de meest saaie taak ooit voltooid)

42.

Kruis de beoordelingswoorden aan

a)

Leuk

b)

Interessant

c)

Naast

d)

Op

43.

Kruis de beoordelingswoorden aan

a)

Spannend

b)

Stoel

c)

Saai

d)

Tafel

44.

Bonusvraag:

Verzin een nieuw spreekwoord/gezegde en een betekenis.

4 lines