Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

B1 In Zicht - laatste les

Total questions: 19

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Welke zin is goed?

a)

De studenten zijn een toets te maken.

b)

De studenten zijn een toets aan het maken.

c)

De studenten zitten een toets aan het maken.

d)

De studenten zitten om een toets aan het maken.

2.

Welke zin is goed?

a)

Mijn vader zit de krant te lezen.

b)

Mijn vader is de krant te lezen.

c)

Mijn vader zit aan de krant te lezen.

d)

Mijn vader zit de krant aan het lezen.

3.

Welke zin is goed?

a)

Wij zijn de borden afwassen.

b)

Wij staan de borden te afwassen.

c)

Wij staan de borden af te wassen.

d)

Wij staan de borden aan het afwassen.

4.

Schrijf het synoniem op van het woord tussen haakjes.

1 Als je iets niet weet kun je het vragen aan Petra. Zij is onze collega met de meeste

(kennis en routine) (a)  

5.

Schrijf het synoniem op van het woord tussen haakjes.


Als jullie beter Nederlands willen spreken, moeten jullie dat (zo veel als het kan) __________

__________________________________ oefenen in gesprekken met Nederlanders.

(a)  

6.

Schrijf het synoniem op van het woord tussen haakjes.


Als u een medisch onderzoek krijgt in het ziekenhuis, moet u (voordat het gebeurt) _______

_____________________________________ een vragenlijst invullen over uw medische toestand.

(a)  

7.

Kies het goede woord.


Ik moet nog drie maanden stage ____________________________ , en dan ben ik klaar met mijn

studie.

a)

maken

b)

lopen

c)

wandelen

d)

geven

8.

Karin is manager van de financiële administratie. Zij ____________________________ leiding aan een

team van 25 medewerkers.

a)

geeft

b)

maakt

c)

wil

d)

leidt

9.

Mijn collega Henk is ziek. Mijn baas heeft me gevraagd of ik Henk kan

____________________________ .

a)

afmaken

b)

vervangen

c)

repliceren

d)

antwoorden

10.

Tegenwoordig ____________________________ beide ouders de kost in veel gezinnen.

a)

kopen

b)

kosten

c)

verdienen

d)

maken

11.

Ons bedrijf is afgelopen jaar gegroeid. Er is steeds meer werk bijgekomen, daarom heeft

het management 20 nieuwe medewerkers ____________________________

a)

aangenomen

b)

begonnen

c)

gesolliciteerd

d)

ontslagen

12.

Geef antwoord op de vraag. Gebruik ‘er’ of ‘daar’ in je antwoord.


Kijk je vaak naar series op Netflix? Ja, (a)  

13.

Welke zin is goed?

(interviewen) Vandaag _________________ de minister door een journalist ___________________________

a)

Vandaag wordt de minister door een journalist geïnterviewd.

b)

Vandaag wordt de minister door een journalist interviewen.

c)

Vandaag worden de minister door een journalist interviewen.

d)

Vandaag word de minister door een journalist geïnterviewd.

14.

Wat is goed?

Gisteren _________________ de krant te laat ___________________________ .

a)

Gisteren wordt de krant te laat bezorgd.

b)

Gisteren wordt de krant te laat bezorgen.

c)

Gisteren is de krant te laat bezorgd.

d)

Gisteren is de krant te laat gebezorgd.

15.

Welke zin is goed?

Gisteren _________________ er veel foto’s bij het feest ___________________________

a)

Gisteren zijn er veel foto’s bij het feest genomen.

b)

Gisteren is er veel foto’s bij het feest gemaakt.

c)

Gisteren zijn er veel foto’s bij het feest gedaan.

d)

Gisteren zijn er veel foto’s bij het feest gemaakt.

16.

Je moet je niet _______________ mijn zaken bemoeien!

a)

aan

b)

met

c)

van

d)

in

17.

Hans heeft een nieuwe vriendin. Hij is heel erg verliefd _______________ haar.

a)

van

b)

op

c)

met

d)

naar

18.

Wij ergeren ons dagelijks _______________ de agressie in het verkeer.

a)

aan

b)

met

c)

voor

d)

van

19.

Je hoeft je niet te schamen _______________ je fouten. Iedereen maakt fouten.

a)

aan

b)

met

c)

voor

d)

van