wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz chemie EW

Total questions: 57

Worksheet time: 1hrs 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het symbool van Koper?

a)

Fe

b)

Cu

c)

Zn

d)

Sn

2.

Wat is het symbool van Goud?

a)

Ag

b)

Cd

c)

Au

d)

Hg

3.

Wat is het symbool van Stikstof?

a)

N

b)

Si

c)

Na

d)

S

4.

Welk element wordt voorgesteld door het symbool B?

a)

Boor

b)

Beryllium

c)

Barium

d)

Broom

5.

Welk element wordt voorgesteld door het symbool K?

a)

Krypton

b)

Koper

c)

Calcium

d)

Kalium

6.

Is volgende reactievergelijking in evenwicht: N2 + H2 --> 2 NH3

a)

Ja

b)

Nee

7.

Welke coëfficiënt heeft NaCl nodig om volgende reactievergelijking in evenwicht te brengen: ? NaCl --> 2 Na + 1 Cl2 ?

(a)  

8.

Welke coëfficiënt heeft O2 nodig om volgende reactievergelijking in evenwicht te brengen: 4 Al + ? O2 --> 2 Al2O3 ?

(a)  

9.

Welke reactievergelijking is in evenwicht?

a)

Mg + O2 --> MgO

b)

2 Mg + O2 --> MgO

c)

Mg + O2 --> 2 MgO

d)

Mg + 2 O2 --> MgO

e)

2 Mg + O2 --> 2 MgO

10.

Welke reactievergelijking is in evenwicht?

a)

P4 + 5 O2 --> P2O5

b)

P4 + O2 --> 2 P2O5

c)

P4 + 5 O2 --> 2 P2O5

d)

P4 + O2 --> P2O5

e)

P4 + 2 O2 --> 5 P2O5

11.

Hoeveel protonen bevat het element Natrium? Het atoomnummer en het massagetal van Natrium worden op onderstaande afbeelding weergegeven.

(a)  

12.

Hoeveel neutronen bevat het element Boor? Het atoomnummer en het massagetal van Boor worden op onderstaande afbeelding weergegeven.

(a)  

13.

Is het aantal neutronen steeds gelijk aan het aantal protonen?

a)

Ja

b)

Nee

14.

Wat wordt weergegeven door het massagetal?

a)

het aantal protonen

b)

het aantal neutronen

c)

het aantal elektronen

d)

het aantal protonen + neutronen

e)

het aantal protonen + elektronen

15.

Hoeveel elektronen bevat het element Stikstof? Het atoomnummer en het massagetal van Stikstof worden op onderstaande afbeelding weergegeven.

(a)  

16.

Wat is de elektronenconfiguratie van het element Natrium dat 11 elektronen bevat?

a)

2,8,1

b)

8,3

c)

2,2,7

d)

8,2,1

17.

Wat is de elektronenconfiguratie van het element fosfor dat 15 elektronen bevat? Schrijf geen spaties!

(a)  

18.

Klopt het dat het groepsnummer in het PSE het aantal valentie-elektronen weergeeft en dat de periode in het PSE het aantal elektronenschillen weergeeft?

a)

ja

b)

nee

19.

Op deze afbeelding zie je enkele elementen afgebeeld uit groep 6 van het PSE. Welke uitspraak klopt?

a)

Deze elementen hebben allemaal 6 schillen.

b)

Deze elementen hebben allemaal 6 valentie-elektronen.

c)

Deze elementen hebben allemaal een EN-waarde 0.

d)

Geen van bovenstaande uitspraken klopt.

20.

Op deze afbeelding zie je enkele elementen afgebeeld uit periode 3 van het PSE. Welke uitspraak klopt?

a)

Deze elementen hebben allemaal 3 schillen.

b)

Deze elementen hebben allemaal 3 valentie-elektronen.

c)

Deze elementen hebben allemaal een EN-waarde 0.

d)

Geen van bovenstaande uitspraken klopt.

21.

Welke elementen vormen positieve ionen?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

22.

Welke elementen vormen negatieve ionen?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

23.

Welke elementen willen geen elektronen afstaan of opnemen?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

24.

Welke elementen vormen positieve ionen?

a)

Elementen met veel valentie-elektronen

b)

Elementen met weinig valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

25.

Welke elementen vormen negatieve ionen?

a)

Elementen met veel valentie-elektronen

b)

Elementen met weinig valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

26.

Welke elementen vormen geen ionen?

a)

Elementen met veel valentie-elektronen

b)

Elementen met weinig valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

27.

Hoeveel elektronen willen elementen met 2 valentie-elektronen afstaan?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

28.

Hoeveel elektronen willen elementen met 7 valentie-elektronen opnemen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

29.

Hoeveel elektronen willen elementen met 8 valentie-elektronen (of een volledig gevulde buitenste schil) opnemen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

30.

Welk ion vormt het element Chloor?

a)

Cl+

b)

Cl2+

c)

Cl-

d)

Cl2-

31.

Met welke edelgasconfiguratie komt de elektronenconfiguratie van het ion Be2+ overeen?

a)

Met de elektronenconfiguratie van Helium

b)

Met de elektronenconfiguratie van Neon

c)

Met de elektronenconfiguratie van Argon

d)

Met de elektronenconfiguratie van Krypton

32.

Welk ion vormt het element Calcium?

a)

Ca+

b)

Ca2+

c)

Ca-

d)

Ca2-

33.

Met welke edelgasconfiguratie komt de elektronenconfiguratie van het ion Br- overeen?

a)

Met de elektronenconfiguratie van Helium

b)

Met de elektronenconfiguratie van Neon

c)

Met de elektronenconfiguratie van Argon

d)

Met de elektronenconfiguratie van Krypton

34.

Hoe noemen we de binding tussen een metaal en een niet-metaal?

a)

Ionbinding

b)

Covalente binding

c)

Metaalbinding

35.

Bij welke soort binding worden elektronen uitgewisseld?

a)

metaalbinding

b)

covalente binding

c)

ionbinding

36.

Welke elementen streven de edelgasconfiguratie na door elektronen uit te wisselen?

a)

2 metalen

b)

een metaal en een niet-metaal

c)

2 niet-metalen

37.

Welk soort binding vormen een element met weinig valentie-elektronen en een element met veel valentie-elektronen?

a)

een covalente binding

b)

een metaalbinding

c)

een ionbinding

38.

Welk soort binding is CaO?

a)

Ionbinding

b)

Metaalbinding

c)

Covalente binding

39.

Welk soort binding is KCl?

a)

Ionbinding

b)

Metaalbinding

c)

Covalente binding

40.

Welke binding vormen K en O?

a)

KO

b)

KO2

c)

K2O

d)

KO3

e)

K3O

41.

Welke binding vormen Mg en Cl?

a)

MgCl

b)

MgCl2

c)

Mg2Cl

d)

MgCl3

e)

Mg3Cl

42.

Hoe noemen we de binding tussen niet-metalen?

a)

Ionbinding

b)

Covalente binding

c)

Metaalbinding

43.

Bij welke soort binding worden gemeenschappelijke elektronenparen gevormd?

a)

metaalbinding

b)

covalente binding

c)

ionbinding

44.

Welke elementen streven de edelgasconfiguratie na door gemeenschappelijke elektronenparen te vormen?

a)

2 metalen

b)

een metaal en een niet-metaal

c)

2 niet-metalen

45.

Welk soort binding vormen 2 elementen die veel valentie-elektronen hebben?

a)

een covalente binding

b)

een metaalbinding

c)

een ionbinding

46.

Welk soort binding is ClO2?

a)

Ionbinding

b)

Metaalbinding

c)

Covalente binding

47.

Welk soort binding is HCl?

a)

Ionbinding

b)

Metaalbinding

c)

Covalente binding

48.

Welke binding vormen C en O?

a)

CO

b)

CO2

c)

C2O

d)

CO3

e)

C3O

49.

Welke binding vormen H en Br?

a)

HBr

b)

HBr2

c)

H2Br

d)

HBr3

e)

H3Br

50.

In welke lewisstructuur is de atoombinding HCl correct weergegeven?

a)
b)
c)
d)
51.

Welke afbeelding geeft de correcte lewisvoorstelling van CO2 weer?

a)
b)
c)
d)
52.

Hoe noemen we de binding tussen metalen?

a)

Ionbinding

b)

Covalente binding

c)

Metaalbinding

53.

Bij welke soort binding worden valentie-elektronen gemeenschappelijk beschikbaar gesteld?

a)

metaalbinding

b)

covalente binding

c)

ionbinding

54.

Welke elementen streven de edelgasconfiguratie na door elektronen gemeenschappelijk beschikbaar te maken?

a)

2 metalen

b)

een metaal en een niet-metaal

c)

2 niet-metalen

55.

Welk soort binding vormen 2 elementen die weinig valentie-elektronen hebben?

a)

een covalente binding

b)

een metaalbinding

c)

een ionbinding

56.

Welk soort binding is Ag?

a)

Ionbinding

b)

Metaalbinding

c)

Covalente binding

57.

Welk soort binding is Zn?

a)

Ionbinding

b)

Metaalbinding

c)

Covalente binding