wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

thema 3: voedselrelaties en biodiversiteit

Total questions: 20

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Geef een synoniem voor biotoop.

(a)  

2.

Wat is de meest correcte definitie voor een biotoop?

a)

Plaats waar verschillende dieren samenleven en waar ze onafhankelijk zijn van elkaar.

b)

Plaats waar verschillende organen samenleven en afhankelijk zijn van elkaar.

c)

Plaats waar planten en dieren samenleven en onafhankelijk zijn van elkaar.

d)

Plaats waar organismen samenleven en afhankelijk zijn van elkaar.

3.

Welk organisme past niet in de rij?

a)

rund

b)

eekhoorn

c)

specht

d)

boomkruiper

4.

Welke stelling klopt over het laatste organisme van een voedselketen?

a)

Het organisme is een herbivoor.

b)

Het organisme is altijd een consument van de derde orde.

c)

Van dit organisme komen het minste aantal voor in vergelijking met de andere organismen van de keten.

d)

Het organisme kan nooit door anderen gegeten worden.

5.

Welke voedselketen klopt?

a)

havik --> muis --> eik

b)

eik --> eekhoorn --> bonte specht --> havik

c)

eik --> rups --> koolmees --> havik

d)

eik --> muis --> everzwijn --> havik

6.

Welke voorstelling verkrijg je wanneer je meerdere voedselketens met elkaar verbindt?

(a)  

7.

Juist of fout: consumenten van de derde orde worden nooit opgegeten, waardoor ze altijd in leven blijven.

a)

juist

b)

fout

8.

Welk synoniem gebruiken we voor de schimmels en bacteriën in de bodem die het afval verwerken?

(a)  

9.

Welke stoffen ontstaan er na de afbraak van het organisch afval door bacteriën en schimmels die planten opnieuw gebruiken om te groeien?

(a)  

10.

Welk type organismen zorgt voor zijn eigen voedingsstoffen zonder anderen op te eten?

(a)  

11.

Onder welk soort organisme kunnen we volgende diersoort plaatsen: pissebed

a)

producent

b)

consument

c)

reducent

d)

detrivoor

12.

Onder welk soort organisme kunnen we volgende diersoort plaatsen: zeewier

a)

producent

b)

consument

c)

reducent

d)

detrivoor

13.

Onder welk soort organisme kunnen we volgende diersoort plaatsen: eekhoorntjesbrood

a)

producent

b)

consument

c)

reducent

d)

detrivoor

14.

De verscheidenheid aan organismen die we op een bepaalde plaats terugvinden, noemen we ook wel de ...

(a)  

15.

Wat is geen reden waarom biodiversiteit belangrijk is voor de mens?

a)

Bossen halen O2 uit de lucht en produceren CO2

b)

Onze kusten worden beschermd

c)

De klimaatopwarming verloopt minder snel

d)

Er is een grotere voedselvoorziening

16.

Welke biotoop kent de grootste biodiversiteit

a)

hooggebergte

b)

savanne

c)

duinen

d)

heide

17.

Juist of fout: het versterkt broeikaseffect zorgt ervoor dat de biodiversiteit stijgt.

a)

juist

b)

fout

18.

Welke voorstellingswijze van een voedselrelatie tussen organismen wordt hier afgebeeld?

(a)  

19.

Welke voorstellingswijze van een voedselrelatie tussen organismen wordt hier afgebeeld?

(a)  

20.

Wat zorgt niet voor de achteruitgang van de biodiversiteit?

a)

De verspreiding van inheemse soorten in verschillende gebieden

b)

Het verdwijnen van natuurgebieden

c)

De klimaatopwarming

d)

De overmatige visvangst