WorksheetsWiskunde 4 (A0) herhalingsoefeningen algebra (1)
Total questions: 14
Worksheet time: 9mins
Reken uit: 6 - 9 : 3 + 6 =
5
9
3−1
geen van voorgaande
Reken uit: 6 - 9 : (3 + 6) =
5
9
3−1
geen van voorgaande
Reken uit: (6 - 9) : 3 + 6 =
5
9
3−1
geen van voorgaande
Reken uit: (6 - 9) : (3 + 6) =
5
9
3−1
geen van voorgaande
Reken uit: (−5)2 =
-25
25
251
25−1
Reken uit: −52 =
-25
25
251
25−1
Reken uit: 5−2 =
-25
25
251
25−1
Reken uit: (−5)−2 =
-25
25
251
25−1
(x2+6)(x2−6) =
x4−36
x4+36
x4−12
x4−12x+36
(x2−6)2 =
x4−36
x4+36
x4−12x−36
x4−12x+36
(schrijf een breuk als t/n). Reken uit naar zijn eenvoudigste vorm:
52+1215 =
(a)
(schrijf een breuk als t/n). Reken uit naar zijn eenvoudigste vorm:
2532 : 6 =
(a)
(schrijf een wortel als 'v') Reken uit: 23+53
(a)
(schrijf een wortel als 'v') Reken uit: 23 . 53
(a)
