NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsTalent Woordenschat 3 Basis hoofdstuk 04
Total questions: 20
Worksheet time: 7mins
Name
Class
Date
1.
aftroeven
a)
het beter doen dan iemand anders
b)
het klinkt zo mooi dat het waarschijnlijk niet waar is
c)
groot, belangrijk
2.
alarmbellen doen rinkelen
a)
ervoor zorgen dat je iets niet vertrouwt
b)
grote actie om reclame te maken of te protesteren
c)
geld inzamelen voor een (goed) doel
3.
alert
a)
oplettend, klaar zijn om snel te reageren
b)
het vermogen om iets snel te begrijpen
c)
ervoor zorgen dat je iets niet vertrouwt
4.
het attribuut
a)
voorwerp dat je voor een bepaald doel kunt gebruiken
b)
geld inzamelen voor een (goed) doel
c)
een slechte ontwikkeling die steeds slechter wordt
5.
compenseren
a)
iets goed maken, weer in balans brengen
b)
samen met anderen schuldig aan iets dat strafbaar is
c)
een situatie waar beide partijen voordeel van hebben
6.
de durfal
a)
iemand die veel durft
b)
groot, belangrijk
c)
een mening geven
7.
ergens in trappen
a)
voor de gek gehouden worden, ergens in stinken
b)
wat belangrijk voor je is
c)
een lagere positie geven of krijgen
8.
geniaal
a)
briljant, extreem intelligent
b)
werk dat je eerder gedaan hebt
c)
een grote liefde voor iets
9.
gering
a)
klein, weinig
b)
wat je leert op de werkvloer (kennis en vaardigheid)
c)
een deel van de werktijd, een deel van de werkweek
10.
hoge ogen gooien
a)
veel kans maken op iets, opvallen vanwege je talent
b)
een lagere positie geven of krijgen
c)
een baan waarvoor personeel wordt gezocht, via een advertentie op internet of in de krant
11.
de levenservaring
a)
wijsheid die je tijdens je leven krijgt
b)
steeds iets anders doen, de variatie
c)
een andere mogelijkheid hebben
12.
medeplichtig
a)
samen met anderen schuldig aan iets dat strafbaar is
b)
de situatie dat je een hogere functie krijgt
c)
door slimheid of geweld mensen overhalen om iets te doen
13.
ondervinden
a)
merken, voelen
b)
een situatie waar beide partijen voordeel van hebben
c)
de volle werktijd, de hele werkweek
14.
passeren
a)
voorbijgaan
b)
de volle werktijd, de hele werkweek
c)
de uitwerking, de invloed, het effect
15.
de strategie
a)
plan om je doel te bereiken
b)
de uitwerking op iets of iemand, het effect
c)
een recept voor stracciatella-ijs
16.
de tactiek
a)
slimme manier om je doel te bereiken
b)
iets aan iemand vertellen en een mening erover vragen
c)
de uitspraak die niet bewezen is
17.
te mooi om waar te zijn
a)
het klinkt zo mooi dat het waarschijnlijk niet waar is
b)
het werk dat je doet
c)
de situatie dat je een hogere functie krijgt
18.
het verloop
a)
1 de manier waarop iets gaat<br />2 het verschijnsel dat er mensen weggaan en bij komen
b)
iemand die een bepaald beroep heeft
c)
de regel waar mensen zich aan moeten houden
19.
virtueel
a)
iets wat niet echt is, maar het wel lijkt
b)
een slechte ontwikkeling die steeds slechter wordt
c)
de redenen die je aanvoert om iets bewijzen
20.
de win-winsituatie
a)
een situatie waar beide partijen voordeel van hebben
b)
tot gevolg hebben
c)
de organisatie die onderzoek doet
Reset
