wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K3A herhalen

Total questions: 37

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.
Ik (vinden) dat een leuke leerling. 
a)
vind
b)
vindt
2.
(Houden) jij ook van KFC?
a)
Houd
b)
Houdt
3.

Wat is een synoniem?

a)

Woorden die ongeveer dezelfde betekenis hebben

b)

Woorden die je ongeveer hetzelfde schrijft

c)

Woorden die je hetzelfde uitspreekt

4.

Het synoniem voor afwezig.....

a)

Intimideren

b)

Absent

c)

Present

d)

Ongetwijfeld

5.

Het synoniem voor produceren..

a)

Opschrijven

b)

Lezen

c)

Maken

d)

Horen

6.

Het synoniem voor exact....

a)

Leveren

b)

Precies

c)

Gemakkelijk

d)

Slecht

7.

Zoek de twee synoniemen.

a)

fles en glas

b)

rondje en cirkel

c)

bank en bank

d)

fiets en éénwieler

8.
Hij heeft er zijn handen vol aan
a)
Het is te erg
b)
Iemand voor de gek houden
c)
Betrapt worden
d)
Hij heeft het er er druk mee
9.
Iemand om de tuin leiden
a)
Iemand voor de gek houden
b)
Het is te erg
c)
Overbodig werk doen
d)
Iets doen waar je tegenop ziet
10.
Tegen de lamp lopen
a)
Het is te erg
b)
Iets heel gemakkelijk kunnen doen
c)
Heel hard gillen
d)
Betrapt worden
11.

Wat betekent PTA?

a)

Persoonlijk taalprogramma

b)

Programma taal en afsluiting

c)

Programma toets en afsluiting

d)

Praat teken afkijken

12.

In de derde klas mag je altijd alle toetsen herkansen.

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

In de derde klas tellen cijfers al mee voor mijn eindexamen.

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Een enkelvoudige zin heeft ......

a)

twee persoonsvormen

b)

een persoonsvorm

c)

drie persoonsvormen

15.

Een samengestelde zin heeft ......

a)

een persoonsvorm.

b)

meer persoonsvormen.

16.

Samengestelde zinnen maak je door...

a)

van een zin een zin te maken met een voegwoord.

b)

van twee zinnen een zin te maken met een voegwoord.

17.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

18.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
Het water ______ heel warm.
a)
wort
b)
word
c)
wordt
19.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
_______ jij het ook zo warm?
a)
vint
b)
vind
c)
vindt
20.

Op welke vraag moet je antwoord geven om het onderwerp van een tekst te vinden?

a)

Waarom is de tekst geschreven?

b)

Waarover gaat de tekst?

c)

Wat is het belangrijkste stuk tekst?

21.

Lees de tekst helemaal


Groei wereldbevolking


Vraag jij je ook weleens af hoeveel mensen er op de aarde wonen? Het antwoord is nog niet zo gemakkelijk. Het aantal mensen op aarde is niet precies bij te houden!


Groei

Iedere seconde worden er baby's geboren. Er gaan natuurlijk ook telkens mensen dood. Toch gaan de geboortes iets sneller. Daardoor groeit de wereldbevolking. We kunnen natuurlijk wel aangeven hoeveel mensen er ongeveer op de aardbol rondlopen. Houd je vast: het zijn er ongeveer 7,4 miljard! In 1950 stond de teller nog op 3 miljard mensen.


Nederland

In totaal wonen er nu zo'n 17 miljoen mensen in Nederland. Dat is ongeveer één vijfhonderdste deel van de hele wereldbevolking. Stel je voor dat je een taart in 500 stukjes kunt snijden. Op een van de piepkleine stukjes, staan dan alle Nederlanders. Het is maar goed dat de aarde zo groot is!


Is de uitspraak waar of niet waar?

In 1950 woonden er 3 miljard mensen op de wereld.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Is de volgende bewering waar of niet waar?

Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet of overkomt.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Welk woord is een werkwoord?


Renate voert elke ochtend haar hond.

a)

Renate

b)

voert

c)

ochtend

d)

hond

24.

Welke zin is goed?

Kijk naar de hoofdletters, punten en vraagtekens.

a)

amber logeert in de vakantie vaak bij haar tante in Deventer.

b)

Komt saffira haar zusje straks weer ophalen?

c)

Om 20.00 uur gaan Hassan en Joep volleyballen.

25.

Kies het goede woord.


Ik stap bij de volgende halte uit. (Dat - Die) halte is dichterbij mijn huis.

a)

Dat halte

b)

Die halte

26.

Kies het goede woord.


Steffie wil (deze - dit) kast blauw verven

a)

deze kast

b)

dit kast

27.

Welk woord is fout? Denk aan au of ou.


Mijn ouders zagen dat er bij jou in de straat een hotel met restourant gebouwd wordt.

a)

ouders

b)

jou

c)

restourant

d)

gebouwd

28.
TT: Het water wor... heel heet.
a)
t
b)
d
c)
dt
29.
VT: Oom jan stofzuig... het tapijt
a)
d
b)
de
c)
dde
30.

Welke namen zijn juist geschreven? Meerdere antwoorden zijn goed.

a)

Mevrouw van der Berg

b)

Mevrouw Van der Berg

c)

Mevrouw J. van der Berg

d)

Mevrouw J. Van der Berg

31.

In welke zin staan de leestekens goed?

a)

'Als ik jou was, zou ik die rode kopen,' zei Saba.

b)

Als ik jou was, zou ik die rode kopen,' zei Saba.

32.

Welk woord is een samengesteld woord?

a)

koopje

b)

dankbaar

c)

figuurlijk

d)

doelgroep

33.

Welk woord is een samengesteld woord?

a)

dagbesteding

b)

kleintje

c)

hoorbaar

d)

heropvoeden

34.

Welk woord heeft een voorvoegsel?

a)

kippensoep

b)

ongelooflijk

c)

denken

d)

worsteling

35.

Welk woord heeft een voorvoegsel?

a)

werkwoord

b)

antwoord

c)

herinrichten

d)

dropje

36.

Welk woord heeft een achtervoegsel?

a)

betekenisvol

b)

vol

c)

herdenken

d)

dropsleutel

37.

Welke twee woorden hebben een achtervoegsel?

a)

werkloos

b)

betekenisvol

c)

optioneel

d)

hersenen