Font size
WorksheetsFormatieve toets Kapitel 1 (deel 2 klas 3)
Total questions: 30
Worksheet time: 15mins
Wat is de superleuke hoofdregel van de werkwoorden in de tegenwoordige tijd?
(a)
Kruis de juiste combi's aan:
Ich mache
ich machst
du machen
ihr macht
Welke vorm is correct: du __________ (antworten)
antwortst
antwortest
antwortet
Welke vorm is correct: es _______________ (regnen)
regnet
regnt
regnest
Kruis de juiste combi's aan:
ihr kauft
Sie kaufen
wir kaufst
er kauft
Hoe maak je het voltooid deelwoord van de zwakke werkwoorden?
ge + stam + d
ge + stam + t
ge + stam + en
Welke voltooide deelwoorden zijn correct?
gekocht
gemachen
gereist
gespield
Welke voltooide deelwoorden zijn correct?
geantwortt
geantwortet
geatmt
geatmet
Wat gebeurt er bij sterke werkwoorden in de verleden tijd?
deze veranderen van klank
deze veranderen niet van klank
Welke 3 werkwoorden zijn onregelmatig?
haben
sein
kaufen
werden
Welke combi's zijn juist bij sein
ich ist
wir sind
du bist
er bist
Welke combi's zijn juist bij haben:
wir habt
ihr habt
sie haben (mv)
du hast
Schrijf het volgende getal voluit: 2784
(a)
Welk getal met '1' is goed geschreven?
hunderteins
hundertein
einsundzwanzig
Welke '1 miljoen' is goed geschreven?
1 Million
1 million
1 milion
Welke 2 uitspraken over de rangtelwoorden zijn juist?
getallen tot en met 19 = + te
getallen vanaf 20 = + ste
getallen tot en met 19 = + ste
Welke rangtelwoorden zijn correct geschreven?
am dritte Mai habe ich Geburtstag.
am vierundzwanzigsten April habe ich Geburtstag
am ersten Dezember habe ich Geburtstag
am dreiundvierzigte Juni habe ich Geburtstag
Welke combi's zijn juist?
ich kann
ich will
wir mag
ihr weiß
Welke combi's zijn juist?
du dürfen
wir können
du musst
ich möchte
Welke werkwoorden zijn sterk?
schlafen
kaufen
lachen
beginnen
Welke combi's zijn juist?
ich habe geschlafen
ich bin geschlafen
ich habe gedacht
ich bin gedacht
Welke volgorde van kijken (bij naamvallen) is correct?
voorzetsels - werkwoorden - ontleden (functie)
werkwoorden - ontleden (functie) - voorzetsels
ontleden (functie) - werkwoorden - voorzetsels
(ik) ________________ habe das gut gemacht.
mich
du
ich
Hast du ______________ (mij) gut gehört?
ich
ihn
mich
Ich sehe _____________ (jullie) nicht.
ihr
euch
wir
Wir haben immer viel Spaß bei Deutsch!
de vakantie
het plezier
de situatie
Wir brauchen deine Hilfe nicht.
nodig hebben
laten zien
trekken
(de broer) (a) is jetzt viel größer geworden
Wie heißt deine (a) (schoonmoeder)
(de oom) (a) lacht immer.
