wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Fictie

Total questions: 20

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat is fictie?

a)

Verzonnen verhalen

b)

Verhalen die echt gebeurd zijn

2.

Wat is non-fictie?

a)

Verzonnen verhalen

b)

Iets wat echt gebeurd is

3.

Wat is een genre?

a)

Verhaalsoort van een boek

b)

Verhaalsoort van een filmpje

c)

Verhaalsoort van een opdracht

4.

Geef een voorbeeld van fictie

(a)  

5.

Geef een voorbeeld van non-fictie

(a)  

6.

Geef een voorbeeld van een genre

(a)  

7.

Wat is het verschil tussen een genre en een onderwerp/thema

a)

Het genre zegt vaak iets over het onderwerp van het boek

b)

Het onderwerp zegt vaak iets over het genre van het boek

c)

Ze zijn hetzelfde

8.

Wat is letterlijk taalgebruik?

a)

Bij wijze van spreke

b)

Precies zoals het geschreven is

c)

Er wordt iets anders bedoeld dan er eigenlijk staat

9.

Wat is figuurlijk taalgebruik?

a)

Iets waarbij je gebaren moet gebruiken

b)

Precies zoals het geschreven is

c)

Er wordt iets anders bedoeld dan er eigenlijk staat

10.

Wat wordt er bedoeld als je teveel hooi op je vork neemt.

a)

Dat je teveel hooi op je vork neemt

b)

Dat je iets doet wat niet kan

c)

Dat je teveel werk op je neemt

11.

Hoe zoek je dit spreekwoord op in een woordenboek?


Een appel valt niet ver van de boom.

a)

Appel

b)

Valt

c)

Boom

12.

Wat is het verschil tussen een realistisch verhaal en een waargebeurd verhaal?

a)

Ze zijn hetzelfde

b)

Een realistisch verhaal is waargebeurd, een waargebeurd zou echt gebeurd kunnen zijn.

c)

Een waargebeurd verhaal is echt gebeurd, een realistisch verhaal zou waargebeurd kunnen zijn.

13.

Wat is het doel van een tijdloos verhaal?

a)

Een boodschap over brengen

b)

Je in de war brengen

c)

Er is geen nut in een tijdloos verhaal

d)

Je de tijd leren

14.

Wat is vertelde tijd?

a)

'Er was eens..'

b)

De tijd waarin een verhaal voorbij gaat

c)

Hoe het verhaal verteld wordt

15.

Wat is een terug verwijzing?

a)

Een mededeling, angst of hoop om de spanning op te bouwen

b)

Het verhaal verwijst naar iets wat eerder gebeurde.

16.

Wat is een vooruitwijzing?

a)

Een mededeling, angst of hoop om de spanning op te bouwen

b)

Het verhaal verwijst naar iets dat eerder gebeurde

17.

Wat is langer, een flashback of een terug verwijzing?

a)

Een flashback

b)

Een terug verwijzing

18.

Wat is chronologisch?

a)

Als het verhaal op een andere manier verteld wordt dan hoe het gebeurd is

b)

Als het verhaal wordt verteld op de manier waarop het gebeurd is

19.

Wat is een hoofdpersoon?

a)

Belangrijkste personage in het boek

b)

Minder belangrijk personage in het boek

c)

Minst belangrijk personage in het boek

20.

Wat is een flashback?

a)

Een situatie waarop je in de toekomst kijkt

b)

Een situatie waarop je in het verleden kijkt