wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

N&G thema 1 bk

Total questions: 25

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Je werkt goed samen als je je aan afspraken houdt.

a)

juist

b)

onjuist

2.

Door het bottenstelsel is je lichaam stevig.

a)

juist

b)

onjuist

3.

Je karakter is een kenmerk van je uiterlijk.

a)

juist

b)

onjuist

4.

Een maag bestaat uit cellen

a)

juist

b)

onjuist

5.

Een

metalen stoel is een organisme.

a)

juist

b)

onjuist

6.

Cellen kun je alleen met een microscoop bekijken.

a)

juist

b)

onjuist

7.

In een tabel van de groei van organismen staat de tijd in de linker kolom.

a)

juist

b)

onjuist

8.

Een kind tussen 0 en 2 jaar groeit snel.

a)

juist

b)

onjuist

9.

Je geeft op een goede manier kritiek als je in de ik-vorm praat.

a)

juist

b)

onjuist

10.

Meisjes hebben eerder een groeispurt dan jongens.

a)

juist

b)

onjuist

11.

In een tabel staan kolommen en rijen.

a)

juist

b)

onjuist

12.

In zaadlobben zit reservevoedsel.

a)

juist

b)

onjuist

13.

In een schematische tekening teken je alleen de belangrijkste kenmerken.

a)

juist

b)

onjuist

14.

Hout komt van bomen.

Is deze houten kast levend, dood of levenloos?

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

15.

Hoe noem je de doorsnede in de afbeelding?

a)

buitenaanzicht

b)

dwarsaanzicht

c)

lengtedoorsnede

16.

Wat is groei?

a)

het groter en zwaarder worden van een organisme

b)

verandering in de bouw van een organisme

17.

Tekening van een bruine boon


Met welk nummer is de navel aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

18.

Welk organenstelsel is dit?

a)

ademhalingsstelsel

b)

bloedvatenstelsel

c)

bottenstelsel

d)

verteringsstelsel

19.

Asielmedewerker

Ben werkt in een dierenasiel. Hij maakt de verblijven van de honden en katten schoon. Hij laat ook de honden uit. Ben vindt het leuk om de dieren te borstelen en hun vacht te verzorgen. Het is belangrijk dat Ben de dieren op tijd voert. Zo kunnen ze goed groeien.

Als asielmedewerker moet je goed opletten of het goed gaat met de dieren. Je kunt aan hun gedrag zien hoe ze zich voelen. Soms is een dier ziek. Dan gaat Ben met het dier naar de dierenarts.


Wat moet Ben weten en kunnen in zijn beroep?

A Hij moet creatief zijn.

B Hij moet goed met geld om kunnen gaan.

C Hij moet veel weten over dieren.

a)

Hij moet creatief zijn

b)

Hij moet goed met geld om kunnen gaan

c)

Hij moet veel weten over dieren

20.

Asielmedewerker

Ben werkt in een dierenasiel. Hij maakt de verblijven van de honden en katten schoon. Hij laat ook de honden uit. Ben vindt het leuk om de dieren te borstelen en hun vacht te verzorgen. Het is belangrijk dat Ben de dieren op tijd voert. Zo kunnen ze goed groeien.

Als asielmedewerker moet je goed opletten of het goed gaat met de dieren. Je kunt aan hun gedrag zien hoe ze zich voelen. Soms is een dier ziek. Dan gaat Ben met het dier naar de dierenarts.


Welke zin over een dierenarts is waar?

a)

Als je dierenarts bent, hoef je niets te weten over biologie.

b)

Als je dierenarts bent, moet je veel weten over het lichaam van dieren.

c)

Als je dierenarts bent, moet je weten hoe planten in de natuur leven.

21.

Wat is de juiste volgorde?

Schrijf de juiste volgorde op je antwoordblad.

– En nu aan de slag!

– Wat heb je nodig?

– Hoe ga je het doen?

– Wat moet je doen?

– Hoe ging het?

a)

Wat heb je nodig

En nu aan de slag

Hoe ging het

Wat moet je doen

Hoe ga je het doen

b)

Wat moet je doen

Wat heb je nodig

En nu aan de slag

Hoe ga je het doen

Hoe ging het

c)

Wat moet je doen

Hoe ga je het doen

Wat heb ik nodig

En nu aan de slag

Hoe ging het

d)

En nu aan de slag

Wat heb ik nodig

Hoe ga ik het doen

Wat moet ik doen

Hoe ging het

22.

Vul de ontbrekende woorden in.

Zorgen betekent: goed opletten dat …[1]…, dieren en planten krijgen wat ze nodig hebben om te …[2]….

a)

1 mensen

2 leven

b)

1 organismen

2 groeien

c)

1 mensen

2 groeien

23.

Wat is de lengte van het meisje bij 0, 4, 8, 12 en 16 jaar?

Beantwoord de vraag door de grafiek af te lezen.

Schrijf de leeftijden en lengten op de goede plaats in de tabel op je antwoordblad.

a)

0 = 50

4 = 89

8 = 104

12 = 150

16 = 170

b)

0 = 40

4 = 84

8 = 144

12 = 162

16 = 178

c)

0 = 60

4 = 84

8 = 130

12 = 162

16 = 190

d)

0 = 50

4 = 84

8 = 124

12 = 162

16 = 178

24.

Giovanni is 18 jaar. Hij heeft zijn vmbo-diploma. Nu zit hij op het mbo om verder te leren. Vanaf zijn geboorte is de groei van Giovanni bijgehouden. Eerst op het consultatiebureau, later bij de schoolarts.

Tot zijn vierde jaar ging hij regelmatig met zijn vader of moeder naar het consultatiebureau. Een arts of verpleegkundige bekeek of Giovanni goed groeide. Giovanni vond het altijd leuk om op de weegschaal te staan. Ook moest hij tegen de meetlat gaan staan. De arts of verpleegkundige deed ook spelletjes en oefeningen met Giovanni. Zo konden ze zien of hij zich goed ontwikkelde. De arts of verpleegkundige vroeg aan de vader of moeder of Giovanni goed at. Af en toe kreeg Giovanni inentingen. Dat vond hij minder leuk!


Welke twee levensverschijnselen vind je in de tekst?

a)

groei + voortplanting

b)

ontwikkeling + groei

c)

voeden + groei

d)

voeden + ontwikkeling

25.

Een leeuw in het wild moet zelf zijn voedsel zoeken. Welk levensverschijnsel kan hem daarbij helpen? Leg je antwoord uit.

4 lines