wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2HAVO H1 par 1 en 2 leerdoelen

Total questions: 25

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Welk gebergte / streek worden met de nummers 2 en 4 aangegeven? (leerdoel 1)

a)

2 = Himalaya, 4 = Rode Bekken

b)

2 = Hoogland van Tibet, 4 = Rode Bekken

c)

2 = Himalaya, 4 = Lössplateau

d)

2 = Hoogland van Tibet, 4 = Lössplateau

2.

Welk gebergte / streek wordt met de nummer 1 aangegeven? (leerdoel 1)

a)

Himalaya

b)

Hoogland van Tibet

c)

Lössplateau

d)

Rode Bekken

3.

Welke twee verklaringen zijn er voor de ongelijke bevolkingsspreiding in China? (leerdoel 2)

a)

In het westen van China valt veel neerslag

b)

In het westen van China is het erg droog

c)

In het westen van China is veel reliëf

d)

In het oosten van China is veel reliëf

4.

Wat is de juiste volgorde van het reliëf in China van west naar oost? (leerdoel 1 & 3)

a)

Hoogland van Tibet - Lössplateau - laagvlakte (Parelrivierdelta)

b)

Lössplateau - laagvlakte (Parelrivierdelta) - Hoogland van Tibet

c)

Lössplateau - Hoogland van Tibet - laagvlakte (Parelrivierdelta)

d)

laagvlakte (Parelrivierdelta) - Lössplateau - Hoogland van Tibet

5.

Bij welk klimaatgebied hoort dit klimaatdiagram? (leerdoel 4,6)

a)

Middellandse Zeeklimaat (Cs)

b)

Tropisch regenwoudklimaat (Af)

c)

Gematigd Zeeklimaat (Cf)

d)

Landklimaat (Df)

6.

Welk klimaatdiagram hoort bij een landklimaat met het hele jaar door neerslag (Df-klimaat)? (leerdoel 4,6)

a)
b)
c)
d)
7.

Wat is het gevolg van de eenkindpolitiek in China (leerdoel 5)

a)

Grote stijging van het aantal inwoners in China

b)

Stijging van de levensverwachting

c)

Vergrijzing

d)

daling van de levensverwachting

8.

Welke gevolgen horen bij de bevolkingspolitiek van China? (leerdoel 5)

a)

Vergrijzing

b)

door migratie naar het oosten verdwijnen culturen

c)

door migratie naar het westen dreigen culturen in West-China te verdwijnen

d)

vergroening (aandeel jongeren in de bevolking neemt toe)

9.

Wat is de betekenis van de hoofdletter D volgens het Köppensysteem? (leerdoel 6a)

a)

warmste maand warmer dan 10 graden, koudste maand warmer dan -3 graden.

b)

warmste maand warmer dan 10 graden, koudste maand kouder dan -3 graden.

c)

warmste maand kouder dan 10 graden, koudste maand warmer dan -3 graden.

d)

altijd onder 0 graden Celsius

10.

Wat is de betekenis van de kleine letter w bij een A, C, en D klimaat? (leerdoel 6b)

a)

Drogere periode in de winter

b)

Drogere periode in zomer

c)

Natte periode in de winter

d)

Droge periode ontbreekt

11.

De bevolkingsspreiding is in China ongelijk. In het oosten wonen weinig mensen en in het westen wonen de meeste mensen (leerdoel 7)

a)

juist

b)

onjuist

12.

Welke bevolkingsdiagram hoort bij een jonge snelgroeiende bevolking? (leerdoel 9)

a)
b)
c)
13.

Welke bevolkingsdiagram hoort bij China? (leerdoel 9)

a)
b)
c)
14.

Welke kenmerken horen bij de economische situatie in China van voor 1980? (leerdoel 10a)

a)

Internationale bedrijven waren welkom

b)

Bedrijven waren eigendom van de staat

c)

Bedrijven mochten niet bepalen wat ze gingen maken

d)

Internationale bedrijven waren alleen welkom in SEZ's

15.

Welke twee veranderingen zijn er in China na 1980? (leerdoel 10ab)

a)

China heeft nu meerdere partijen in de politiek

b)

Internationale bedrijven zijn nu welkom

c)

Westerse sociale media is nu toegestaan

d)

Chinezen kunnen nu westerse kleding en auto's kopen

16.

Welke drie uitspraken van SEZ's zijn juist? (leerdoel 11)

a)

hier mogen buitenlandse bedrijven zich vestigen

b)

bedrijven betalen hier weinig belasting

c)

hier vestigen zich vooral Chinese bedrijven

d)

Hier werden na 1980 vooral kennisintensieve producten gemaakt

e)

De eerste SEZ's ontstonden langs de oostkust

17.

Welke twee veranderen zijn er in de Chinese economie? (leerdoel 12)

a)

Van alleen export, ook meer voor binnenlandse productie

b)

Van binnenlandse productie, naar alleen export

c)

Van zelf produceren naar kopiëren

d)

De Chinese economie is meer gaan innoveren

18.

Tegenwoordig is er een verschuiving van de industrie in China. Waar gaat de industrie in China naar toe en waarom? (leerdoel 12)

a)

naar de kustgebieden, vanwege de lagere lonen daar

b)

naar het binnenland, vanwege de lagere lonen in het binnenland

c)

naar het buitenland, vanwege de kennisintensieve industrie

19.

Hoe hoger de welvaart en welzijn in een land, hoe ...... het ontwikkelingspeil. (leerdoel 13)

a)

hoger het ontwikkelingspeil

b)

lager het ontwikkelingspeil

c)

je kan niet aan de welvaart en welzijn zien hoe het ontwikkelingspeil van een land is

20.

Globalisering is het ...1... uitwisselen van ...2... (leerdoel 14)

a)

1 = nationaal, 2 = geld en goederen

b)

1 = internationaal, 2 = geld, goederen, mensen en informatie

c)

1 = nationaal 2 = geld, goederen, mensen en informatie

d)

1 = internationaal, 2 = geld, goederen en informatie

21.

Een wereldstad is een stad met meer dan 10 miljoen inwoners (leerdoel 15)

a)

juist

b)

onjuist

22.

Waar vind je vooral global cities? (leerdoel 15a)

a)

Europa

b)

Azië

c)

Afrika

d)

Vooral rijke landen

23.

Welk begrip wordt hier omschreven? (leerdoel 16)

'Bedrijf met vestigingen in verschillende landen'

a)

NIC's

b)

SEZ

c)

Multinational

d)

International

24.

Welke fase van productie van goederen vindt plaats in China? (leerdoel 17)

a)

fase 1: ontwerpen

b)

fase 2: productie

c)

fase 3: vervoer en verkoop

d)

fase 3: ontwerpen

e)

fase 1: vervoer en verkoop

25.

Welke fases van productie worden in rijke landen uitgevoerd? (leerdoel 17)

a)

fase 1 en 2

b)

fase 1

c)

fase 3

d)

fase 1 en 3

e)

fase 2 en 3