wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Proefexamen Romeinse Rijk

Total questions: 30

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Wat moest een dictator doen in het Romeinse Rijk?

a)

Raad geven aan consuls

b)

Op korte termijn orde op zaken stellen

c)

Gestemde wetten uitvoeren

d)

Levenslang besturen zonder rekening te houden met anderen

2.

Wat betekent plebejer?

a)

een oorspronkelijke inwoner van Rome

b)

iemand die aan het hof van de keizer werkt

c)

een lid van de oudste vooraanstaande Romeinse families

d)

een gewone Romeinse burger, iemand uit het volk

e)

iemand die zetelt in de senaat

3.

Hoe noem je iemand die in dienst is van de overheid?

a)

een patriciër

b)

een ambtenaar

c)

een plebejer

d)

een volksvertegenwoordiger

4.

Hoe noem je een regeringsvorm met onbeperkte macht voor één persoon?

a)

democratie

b)

autonomie

c)

autocratie

d)

stadstaat

5.

Hoe noem je opeenvolgende heersers die tot dezelfde familie behoren?

a)

een dynastie

b)

een autocratie

c)

een gewone familie

d)

een keizersfamilie

6.

= een plein waar het volk samenkwam om politieke zaken te bespreken

a)

forum

b)

fresco

c)

stadsplein

d)

gemeentehuis

7.

Wat betekent aristocratie?

a)

economische zelfstandigheid

b)

elite met politieke macht, grootgrondbezitters

c)

regeringsvorm met onbeperkte macht voor één persoon

d)

het hoogste politieke ambt

8.

Wat betekent imperator?

a)

eretitel die soldaten aan hun aanvoerder kunnen geven

b)

halfgod uit de Romeinse mythologie

c)

een groot filosoof

d)

ander woord voor "keizer"

9.

Hoe noemen we een samenleving waarin mannen veel meer macht hebben dan vrouwen?

a)

matriarchaat

b)

patriarchaat

c)

antieke samenleving

d)

moderne samenleving

e)

autocratie

10.

Hoe noemen we een samenleving waarin vrouwen veel meer macht hebben dan mannen?

a)

matriarchaat

b)

patriarchaat

c)

autocratie

d)

aristocratie

e)

moderne samenleving

11.

Wie had in de Romeinse samenleving het meeste macht?

a)

plebejers

b)

patriciërs

c)

vrouwen

d)

slaven

12.

Duid alle taken van de Romeinse koning aan

a)

opperpriester

b)

Opperplebejer

c)

opperrechter

d)

opperbevelhebber

13.

In het Romeinse koninkrijk bestond de senaat uit:

a)

de familiehoofden

b)

alle mannelijke patriciërs

c)

alle mannelijke plebejers

d)

alle mannelijke metoiken

14.

In het Romeinse koninkrijk bestond de Volksvergadering uit:

a)

de familiehoofden

b)

alle mannelijke plebejers

c)

alle mannelijke patriciërs

d)

alle mannelijke metoiken

15.

De Romeinse samenleving kende het begrip “familia”. Hoe vertaal je dat?

a)

familie

b)

gezin

c)

dorp

d)

huishouden

16.

Wanneer vond de eerste Punische oorlog plaats?

a)

264 - 241 v.C.

b)

814 v.C.

c)

218 - 201 v.C.

d)

149 - 146 v.C.

17.

Wanneer vond de tweede Punische oorlog plaats?

a)

264 - 241 v.C.

b)

814 v.C.

c)

218 - 201 v.C.

d)

149 - 146 v.C.

18.

Wanneer vond de derde Punische oorlog plaats?

a)

264 - 241 v.C.

b)

814 v.C.

c)

218 - 201 v.C.

d)

149 - 146 v.C.

19.

Tijdens de Punische oorlogen neemt de Romeinse Republiek het op tegen ...?

a)

Punische Republiek

b)

Carthago

c)

de Samnieten

d)

Albanië

20.

Was de Romeinse samenleving een patriarchale samenleving? Verklaar waarom wel / niet.

4 lines
21.

De Romeinse geschiedenis kent 5 verschillende fasen. De eerste fase was de stichting van Rome als stadstaat. De laatste fase is de ondergang van het West-Romeinse Rijk. Geef de tweede fase.

a)

Romeinse keizerrijk

b)

Romeinse republiek

c)

Romeinse democratie

d)

Romeinse dictatuur

e)

Romeinse koninkrijk

22.

De Romeinse geschiedenis kent 5 verschillende fasen. De eerste fase was de stichting van Rome als stadstaat. De laatste fase is de ondergang van het West-Romeinse Rijk. Geef de derde fase.

a)

Romeinse keizerrijk

b)

Romeinse republiek

c)

Romeinse democratie

d)

Romeinse dictatuur

e)

Romeinse koninkrijk

23.

De Romeinse geschiedenis kent 5 verschillende fasen. De eerste fase was de stichting van Rome als stadstaat. De laatste fase is de ondergang van het West-Romeinse Rijk. Geef de vierde fase.

a)

Romeinse keizerrijk

b)

Romeinse republiek

c)

Romeinse democratie

d)

Romeinse dictatuur

e)

Romeinse koninkrijk

24.

Omstreeks welk jaar vestigden de Romeinen zich op het Italisch schiereiland?

a)

ca. 1500 v.C.

b)

ca. 1000 v.C.

c)

ca. 2200 v.C.

d)

ca. 800 v.C.

25.

Bekijk de kaart en geef de naam van zes hedendaagse landen die volledig of gedeeltelijk in het Romeinse Rijk lagen.

4 lines
26.

Welke uitspraken zijn juist? Duid aan.

a)

Rome ligt in het midden van Italië

b)

Wanneer Rome ontstaat, is de Griekse cultuur uitgedoofd

c)

De Etrusken en Romeinen komen nooit met elkaar in contact

27.

Benoem de vier maatschappelijke domeinen en geef bij elk 1 voorbeeld uit de Romeinse periode.

4 lines
28.

Licht toe hoe de Romeinen de veroverde gebieden in hun rijk bestuurden en onder controle hielden.

4 lines
29.

Duid de stichtingsmythe van Rome aan

a)

De mythe van de Minotaurus

b)

De mythe van Romulus en Remus

c)

De mythe van Remy en Romy

d)

De mythe van Troje

30.

Hoe kwam Rome aan drinkbaar water?

4 lines