wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H5 argumentatie oefening

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Zin 1 bevat een:

a)

standpunt

b)

argument

c)

subargument

d)

tegenargument

e)

weerlegging

2.

Zin 2 bevat een:

a)

standpunt

b)

argument

c)

subargument

d)

tegenargument

e)

weerlegging

3.

Zin 3 bevat een:

a)

Standpunt

b)

Argument

c)

Subargument

d)

Tegenargument

e)

Weerlegging

4.

Zin 4 bevat een:

a)

standpunt

b)

argument

c)

subargument

d)

tegenargument

e)

weerlegging

5.

Zin 5 bevat een:

a)

standpunt

b)

argument

c)

subargument

d)

tegenargument

e)

weerlegging

6.

Zin 6 bevat een:

a)

standpunt

b)

argument

c)

subargument

d)

tegenargument

e)

weerlegging

7.

Welke zin hoort er in blokje 1 te staan om het argumentatieschema kloppend te maken?

a)

Je kunt beter geen alcohol drinken.

b)

Het kost veel geld.

c)

Als je uitgaat, kun je niet met de fiets, maar moet je een taxi nemen.

d)

Het is gevaarlijk in het verkeer.

e)

Het is slecht voor je gezondheid.

8.

Welke argumenten horen er in blokje 2, 3 en 4 te staan om het standpunt 'Je kunt beter geen alcohol drinken' te onderbouwen?

a)

Je reageert minder snel. Het is slecht voor je gezondheid. Het is slecht voor je lever.

b)

Het is slecht voor je gezondheid. Het kost veel geld. Het is gevaarlijk in het verkeer.

c)

Het kost veel geld. Als je uitgaat, kun je net met de fiets, maar moet je een taxi nemen.

d)

Het is gevaarlijk in het verkeer. Je reageert minder snel. Elk glas alcohol dat je gebruikt, vernietigt 100.000 hersencellen.

9.

Wat vul je nu nog in bij 5 en 6?

a)

Als je uitgaat, kun je niet met de fiets, maar moet je een taxi nemen.

b)

Je reageert minder snel.

c)

Elk glas alcohol dat je gebruikt, vernietigt 100.000 hersencellen.

d)

Alcoholische consumpties kosten meer dan frisdrank.

e)

Het is slecht voor je lever.

10.

Wat hoort er bij de subargumenten 7 en 8 te staan?

a)

Als je uitgaat, kun je niet met de fiets, maar moet je een taxi nemen.

b)

Je reageert minder snel.

c)

Elk glas alcohol dat je gebruikt, vernietigt 100.000 hersencellen.

d)

Alcoholische consumpties kosten meer dan frisdrank.

e)

Het is slecht voor je lever.

11.

Wat blijft er over voor het subargument bij blokje 9, de onderbouwing bij het argument in blokje 4?

a)

Als je uitgaat, kun je niet met de fiets, maar moet je een taxi nemen.

b)

Je reageert minder snel.

c)

Elk glas alcohol dat je drinkt, vernietigt 100.000 hersencellen.

d)

Alcoholische consumpties kosten meer dan frisdrank.

e)

Het is slecht voor je lever.

12.

Welke drogreden? Nederland moet geen vluchtelingen meer toelaten. Het is toch duidelijk dat ons land vol is.

a)

Vertekenen van het standpunt.

b)

Ontduiken van de bewijslast.

c)

Persoonlijke aanval.

d)

Vals dilemma.

13.

Welke drogreden? Het aantal mensen bij wie staar wordt geconstateerd, neemt de laatste jaren sterk toe. Al die beeldschermen zijn slecht voor onze ogen.

a)

Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie.

b)

Ontduiken van de bewijslast.

c)

Persoonlijke aanval.

d)

Vals dilemma.

14.

Welke drogreden? Arjen heeft een vier voor zijn wiskundetentamen. Het tentamen is zeker slecht gemaakt.

a)

Cirkelredenering

b)

Drogreden van het hellend vlak

c)

Ontduiken van de bewijslast

d)

Overhaaste generalisatie

15.

Welke drogreden? Het is niet goed dat een land zijn eigen regeringsvorm kiest. Je laat een kind toch ook niet zijn eigen opvoeder kiezen?

a)

Drogreden van het hellend vlak

b)

Het bespelen van het publiek

c)

Onjuiste vergelijking

d)

Overhaaste generalisatie

16.

Welke drogreden? Jij hebt er te weinig verstand van om erover te kunnen oordelen.

a)

Het bespelen van het publiek.

b)

Onjuist beroep op autoriteit

c)

Onjuiste vergelijking

d)

Persoonlijke aanval

17.

Welke drogreden? Het is duidelijk dat we ons moeten neerleggen bij het gebruik van fossiele energie. Je hebt ofwel vooruitgang en welvaart met die vorm van energie ofwel stilstand en sluipende armoede zonder fossiele energie.

a)

Cirkelredenering

b)

Vals dilemma

c)

Overhaaste generalisatie

d)

Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie

18.

Welke drogreden? Leerlingen uit het buitenland hebben moeite met het Nederlands, want ze hebben qua Nederlands een taalachterstand.

a)

Cirkelredenering

b)

Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie

c)

Overhaaste generalisatie

d)

Onjuist beroep op autoriteit

19.

Welke drogreden? ‘Soms zullen asielzoekers moeten worden opgevangen in noodvoorzieningen.’ ‘Dus jij vindt dat ze weer in van die lekkende tenten moeten.’

a)

Het bespelen van het publiek

b)

Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie

c)

Vertekenen van het standpunt

d)

Persoonlijke aanval

20.

Welke drogreden? Het wordt morgen slecht weer. Dat zei onze docent Nederlands.

a)

Persoonlijke aanval

b)

Vertekenen van het standpunt

c)

Onjuist beroep op autoriteit

d)

Vals dilemma