wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorbereiding toets P1 Leesvaardigheid H4/H5

Total questions: 45

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Je kunt een standpunt onderscheiden van de argumenten.

a)

Na 'want' volgt het standpunt. Na 'dus' volgen de argumenten.

b)

Na 'want' volgt het argument. Na 'dus' volgt het standpunt.

c)

Een standpunt is hetzelfde als een argument.

d)

Een argument kun je niet onderscheiden van het standpunt.

2.

Enkelvoudige argumentatiestructuur

a)

heeft één standpunt en één argument

b)

heeft alleen een standpunt

c)

heeft alleen een argument

d)

heeft twee argumenten

3.

Onderschikkende argumentatie

a)

het standpunt is minder in het oog springend, minder belangrijk dan de argumenten

b)

het betreft een minder belangrijke discussie

c)

een hoofdargument wordt ondersteund door één of meer subargumenten

4.

Nevenschikkende argumentatie

a)

is het meest sterke type argumentatie

b)

is het meest zwakke type argumentatie

c)

de argumenten kunnen afhankelijk van elkaar zijn (ze zijn samen nodig om het standpunt te ondersteunen) of ze zijn onafhankelijk van elkaar

5.
Argumentatiesoort: 
Sinds het horecarookverbod sterven jaarlijks honderd mensen minder aan longkanker. Dit is dus een hele efficiënte maatregel.
a)
Gebaseerd op een voorbeeld
b)
Gebaseerd op een feit
c)
Gebaseerd op een vergelijking
d)
Op basis van een autoriteit
6.
Want hoort bij een
a)
Redengevend verband
b)
Oorzakelijk verband
c)
Uitleggend verband
d)
Voorwaardelijk verband
7.
Argumentatiesoort:
Poets je huis eens! Mijn huis is toch ook geen zwijnenstal?
a)
Op basis van een voorbeeld
b)
Empirisch
c)
Op basis van een feit
d)
Op basis van een vergelijking
8.
Mits hoort bij een
a)
Oorzakelijk verband
b)
Voorwaardelijk verband
c)
Doel-middel relatie
d)
Concluderend verband
9.
Welk argument is een subargument?
Stelling: voetballers moeten meer belasting betalen
1 We hebben een nivellerend belastingssysteem
2 Ze verdienen namelijk erg veel
3 Zo verdient Wesley Sneijder maar liefst 6 miljoen euro per jaar
4 Andere rijke mensen moeten ook veel belasting betalen
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
10.
Kortom hoort bij een
a)
Samenvattend verband
b)
Concluderend verband
c)
Oorzakelijk verband
d)
Uitleggend verband
11.
Argumentatiesoort:
Haal je pauzebroodje bij Kortsten, dat is echt smullen!
a)
Empirisch (ervaring)
b)
Moreel
c)
Gebaseerd op een feit
d)
Op basis van een autoriteit
12.
Argumentatiesoort
Die nieuwe CD van Coldplay is echt slecht. De nummers raken me nauwelijks.
a)
Op basis van een voorbeeld
b)
Emotioneel
c)
Moreel
d)
Empirisch
13.
Echter hoort bij een
a)
Concluderend verband
b)
Opsommend verband
c)
Tegenstellend verband
d)
Doel-middel relatie 
14.
Het tekstdoel van een reclametekst is
a)
Overtuigen
b)
Informeren
c)
Amuseren
d)
Activeren
15.

Welke verbindingsmanier wordt hieronder gebruikt?


Allereerst zal ik in deze alinea de voor- en nadelen van kernenergie opsommen. Daarna zullen deze tegen elkaar worden afgewogen.

a)

Overlapping/herhaling

b)

Aankondigende zin

c)

Overgangszin

d)

Signaalwoord

16.
Argumentatiesoort:
In Dublin is het weer niet optimaal. Zo regent het er bijna dagelijks.
a)
Op basis van een voorbeeld
b)
Empirisch
c)
Emotioneel
d)
Op basis van een vergelijking
17.

Argumentatiesoort:

Sinds het horeca-rookverbod sterven jaarlijks honderd mensen minder aan longkanker.

a)

Gebaseerd op een voorbeeld

b)

Gebaseerd op oorzaak en gevolg

c)

Gebaseerd op een vergelijking

d)

Op basis van een autoriteit

18.

De muziek van Justin Bieber is geweldig modern, swingend en soms ontroerend.

a)

Dit is een feitelijke uitspraak

b)

Dit is een waarderende uitspraak

19.

Ik kom niet naar je feestje wat ik ben moe, heb geen tijd en voel een griep opkomen.

a)

Deze redenering bevat onderschikkende argumentatie.

b)

Deze redenering bevat nevenschikkende argumentatie.

c)

Deze redenering is een combinatie van nevenschikkende en onderschikkende argumentatie.

20.

Je hebt je toets niet goed voorbereid. Als je het wel goed had voorbereid, zou je wel een hoger cijfer gescoord hebben.

a)

Dit is een argumentatieschema op basis van eigenschappen.

b)

Dit is een argumentatieschema op basis van voor- en nadelen.

c)

Dit is een argumentatieschema op basis van oorzaak en gevolg.

d)

Dit is een argumentatieschema op basis van vergelijking.

21.

De muziek van Justin Bieber is geweldig modern, swingend en soms ontroerend.

a)

Dit is een feitelijke uitspraak

b)

Dit is een waarderende uitspraak

22.

Harry Mulisch is de grootste Nederlandse schrijver na de Tweede Wereldoorlog. Max verstappen heeft dat zelf gezegd!

a)

Drogreden :Persoonlijke aanval (op de man spelen)

b)

Drogreden: onjuist beroep op autoriteit.

c)

Drogreden: cirkelredenering

d)

Drogreden: verschuiven van de bewijslast

23.

Ik wil ook iPods op mijn verjaardag. Mijn broer heeft ze ook voor zijn verjaardag gekregen!

a)

Drogreden: stok-achter-de -deur

b)

Drogreden: persoonlijke aanval

c)

Drogreden: cirkelredenering

d)

Drogreden: verkeerde vergelijking

24.

Wat is het standpunt in: Mijn nieuwe vriendje kan goed dansen. Daarom wil ik het zelf ook goed leren. Dus ga ik binnenkort op dansles.

a)

Mijn vriendje kan goed dansen.

b)

Ik wil het zelf ook goed leren.

c)

Ik ga binnenkort op dansles.

25.

De smartphone is onmisbaar. Je kunt er overal geld mee overmaken en veel jongeren voelen zich ongelukkig zonder smartphone. Is "veel jongeren voelen zich ongelukkig zonder smartphone" een feitelijk of een niet-feitelijk argument?

a)

Feitelijk

b)

waarderend

26.

Een feitelijk argument kun je controleren.

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

Wat is de definitie van:


vaststelling, opmerking

a)

constatering

b)

doelstelling

c)

generalisatie

d)

opsomming

28.

Wat is de definitie van:


nauwkeurige omschrijving van een bepaalde term

a)

definitie

b)

intentie

c)

consistentie

d)

paradox

29.

Wat is de definitie van:


uitdrukkelijk

a)

expliciet

b)

impliciet

c)

intentie

d)

consistent

30.

Wat is de definitie van:


de voornaamste kenmerken van een verschijnsel

a)

karakterisering

b)

constatering

c)

onderbouwing

d)

premisse

31.

Wat is de definitie van:


de manier om een doel te bereiken

a)

middel

b)

oplossing

c)

oorzaak

d)

definitie

32.

Wat is de definitie van:


inbegrepen, stilzwijgend eronder begrepen

a)

impliciet

b)

expliciet

c)

objectief

d)

definitie

33.
Welk functiewoord past het beste bij de omschrijving?De schrijver komt tot een goede raad.
a)
standpunt
b)
aanbeveling
c)
definitie
d)
theorie
34.

Welk functiewoord past het beste bij de omschrijving?


De schrijver vertelt een kort, kenmerkend of grappig verhaal. Vaak als introductie van een probleem of verschijnsel.

a)
anekdote
b)
karakterisering
c)
verklaring
d)
toelichting
35.
Welk functiewoord past het beste bij de omschrijving?
De schrijver zwakt een standpunt iets af door te laten zien dat er ook andere gezichtspunten mogelijk zijn.
a)
beoordeling
b)
constatering
c)
nuancering
d)
definitie
36.

Welk functiewoord past het beste bij de omschrijving? De schrijver stemt met iets in, als aan een bepaalde voorwaarde is voldaan.

a)

toelichting

b)

voorwaarde

c)

voorbehoud

d)

weerlegging

37.

"Nagaan of alle informatie in de tekst klopt en volledig is"

a)

Zoekend lezen

b)

Grondig lezen

c)

Kritisch lezen

d)

Globaal lezen

38.

Het tekstdoel is "informatie geven".

Wat is de tekstvorm?

a)

Dagboek

b)

Ingezonden brief

c)

Gebruiksaanwijzing

d)

Sinterklaasrijmpje

39.

De kernzin is ...

a)

De belangrijkste zin van de inleiding

b)

De belangrijkste zin van het slot

c)

De belangrijkste zin van een alinea

d)

De belangrijkste zin van een tekst

40.

De hoofdgedachte is...

a)

De belangrijkste zin van de tekst

b)

De belangrijkste zin van een alinea

c)

Het middenstuk samengevat in 1 zin

d)

De hele tekst samengevat in 1 zin

41.

Een tandarts vraagt zich in een vakblad af of de toenemende belangstelling voor plastische chirurgie zal leiden tot een toename van gebitscorrecties.

a)

Betoog

b)

Beschouwing

c)

Uiteenzetting

42.

In opdracht van een bierproducent ontwerpt een reclamebureau een paginagrote advertentie voor een studentenblad om hun nieuwe biermerk te promoten.

a)

Betoog

b)

Beschouwing

c)

Uiteenzetting

43.

De schrijver vertelt in tekst A over het bestaan en de historische ontwikkelingen bij homeopathie.

a)

Betoog

b)

Beschouwing

c)

Uiteenzetting

44.

De auteur wijst in tekst D op de verschillende mogelijkheden van alternatieve geneeswijzen.

a)

Betoog

b)

Beschouwing

c)

Uiteenzetting

45.

Informeren

a)

roman, strip, kort verhaal,

mop, column

b)

studieboek, folder, receptnieuwsbericht, geboortekaartje

c)

ingezonden brief, sommige columns

d)

gebruiksaanwijzing, instructie

e)

reclamefolder, advertentie

uitnodiging, affiche