wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4TL Pincode hoofdstuk 3

Total questions: 8

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.

Toegevoegde waarde is...

a)

wat een arbeider aan waarde toevoegt

b)

het verschil tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs van een bedrijf

c)

de kosten die hoger worden door meer afzet

d)

een ander woord voor productieproces

2.

Wat is NIET juist over vaste kosten

a)

Ze zijn niet afhankelijk van de afzet

b)

Ze worden ook wel constante kosten genoemd

c)

Je gebruikt ze voor het berekenen van de kostprijs

d)

Ze veranderen als je minder gaat produceren

3.

Een bedrijf heeft €500.000 aan vaste kosten en €20 aan variabele kosten per product. Wat is de kostprijs bij een afzet van 1.000 producten?

a)

€20.000

b)

€520.000

c)

€520

d)

€500

4.

Een product wordt verkocht voor €33,88 inclusief 21% btw. Bereken de prijs excl. btw.

a)

€28

b)

€5,88

c)

€26,77

d)

€41

5.

Een bedrijf verkoopt producten voor €50 excl. 21% btw. De inkoopprijs is €20, de bedrijfskosten bedragen €5.000.

Bereken het nettoresultaat bij een afzet van 500 producten.

a)

€15.250

b)

€25.000

c)

€15.000

d)

€10.000

6.

Welke van de antwoorden is onjuist?

De productiecapaciteit kan toenemen door...

a)

Meer werknemers in te zetten

b)

Meer machines aan te schaffen

c)

Meer reclame te maken

d)

De arbeidsproductiviteit te verhogen

7.

In Groningen liggen de prijzen voor producten bij de Jumbo hoger dan in Noord-Holland. De markt voor supermarkten in Groningen is het best te omschrijven als...

a)

een markt met volledige mededinging

b)

monopolistische concurrentie

c)

een oligopolie

d)

een monopolie

8.

Welk antwoord is NIET juist?

Het marktaandeel van een bedrijf kan toenemen door...

a)

een fusie

b)

meer reclame te maken

c)

de prijs te verhogen

d)

een kartel te vormen