Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VWO - Conjunctuur 1

Total questions: 14

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

De term productiecapaciteit kan het beste worden gekoppeld aan de

a)

Structuur

b)

Conjunctuur

c)

Trend

d)

Effectieve vraag

2.

In een hoogconjunctuur is er vaak sprake van een ...

a)

Krappe arbeidsmarkt en een hoge inflatie

b)

Krappe arbeidsmarkt en een lage inflatie

c)

Ruime arbeidsmarkt een hoge inflatie

d)

Krappe arbeidsmarkt en lage inflatie

3.

Als een land uit een recessie komt dan zijn prijzen op korte termijn ...

a)

Star want de meeste kosten liggen al vast

b)

Flexibel want er kan onderhandeld worden over de tarieven

c)

Hoog omdat dat productiecapaciteit al bereikt is

4.

Een toename in de geaggregeerde bij volledige bezetting van de productiecapaciteit leidt tot

a)

Uitbreiding van de productie zonder inflatie

b)

Uitbreiding van de productie met geringe inflatie

c)

Geen uitbreiding van de productie, enkel inflatie

5.

De zogenaamde 'trend' geeft ...

a)

De gemiddelde groei van de productiecapaciteit weer

b)

De gemiddelde groei van de inflatie weer

c)

De gemiddelde groei van de bestedingen weer

6.

In een fase van onderbesteding geldt dat ...

a)

de bestedingen onder het prijspeil liggen

b)

de bestedingen boven het prijspeil liggen

c)

de bestedingen onder de trend liggen

d)

de bestedingen boven de trend liggen

7.

Een toename in het consumentenvertrouwen kan leiden tot

a)

een toename van de werkloosheid

b)

een toename van de bestedingen

c)

een toename van de productiecapaciteit

8.

De effectieve vraag (EV) bestaat uit

a)

binnenlandse bestedingen - netto export

b)

binnenlandse bestedingen + netto export

c)

buitenlandse bestedingen - netto export

d)

buitenlandse bestedingen + netto export

9.

Als de rente stijgt dan

a)

nemen de bestedingen af want lenen wordt duurder

b)

nemen de bestedingen af want sparen wordt aantrekkelijker

c)

nemen de bestedingen af want lenen wordt duurder en sparen aantrekkelijker

10.

B daalt = C stijgt = Y stijgt = EV stijgt = W stijgt = Y stijgt waardoor C nogmaals stijgt kan worden verklaard door

a)

Miniplier werking

b)

Multiplierwerking

c)

Maxiplierwerking

d)

Geen van bovenstaande antwoorden

11.

Een toename van het besteedbaar inkomen leidt tot

a)

een verschuiving van de geaggregeerde vraagcurve naar links

b)

een verschuiving van de geaggregeerde vraagcurve naar rechts

c)

een verschuiving van de geaggregeerde aanbodcurve naar links

d)

een verschuiving van de geaggregeerde aanbodcurve naar rechts

12.

een stijging van de loonkosten bij gelijkblijvende productiviteit leidt tot

a)

een verschuiving van de geaggregeerde vraagcurve naar links

b)

een verschuiving van de geaggregeerde vraagcurve naar rechts

c)

een verschuiving van de geaggregeerde aanbodcurve naar links

d)

een verschuiving van de geaggregeerde aanbodcurve naar rechts

13.

een uitbreiding van de productiecapaciteit leidt tot ...

a)

een verschuiving van de geaggregeerde vraagcurve naar links

b)

een verschuiving van de geaggregeerde vraagcurve naar rechts

c)

een verschuiving van de geaggregeerde aanbodcurve naar links

d)

een verschuiving van de geaggregeerde aanbodcurve naar rechts

14.

Een toename van de geaggregeerde vraag bij gelijkblijvend aanbod in de opgaande fase van de conjunctuur leidt tot ...

a)

een afname van de conjuncturele werkloosheid

b)

gelijkblijvende werkloosheid

c)

een toename van de conjuncturele werkloosheid