wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Domein D 'Markten' hfd 1 en 2

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Een voorbeeld van een abstracte markt is hier ...

a)

... de supermarkt

b)

... de huizenmarkt

c)

... een kunstveiling in Berlijn

d)

... de bouwmarkt in Leusden

2.

GEEN voorbeeld van een concrete markt is ...

a)

... de geldmarkt

b)

... de drogist

c)

... de Praxis

d)

... de Intertoys

3.

Kies het beste voorbeeld van een homogeen product.

a)

auto's

b)

huizen

c)

zeezout

d)

laptops

4.

Producten zijn heterogeen als ...

a)

... de producent een beperkte oplage levert.

b)

... de consument geen onderscheid in kwaliteit kan maken.

c)

... de producent het product in grote oplage levert.

d)

... de consument een voorkeur heeft.

5.

Welke grafiek geeft op de juiste wijze het normale verband tussen prijs en vraag weer?

a)

linksboven

b)

rechtsboven

c)

linksonder

d)

rechtsonder

6.

Welke grafiek geeft op de juiste wijze het normale verband tussen aanbod en prijs weer?

a)

linksboven

b)

rechtsboven

c)

linksonder

d)

rechtsonder

7.

Kies de juiste optie!

a)

Er is een aanbodtekort, want de prijs ligt boven het evenwicht.

b)

Er is een vraagoverschot, want de prijs ligt boven het evenwicht.

c)

Er is een aanbodoverschot, want de prijs ligt boven het evenwicht.

d)

Er is een vraagtekort, want het evenwicht ligt boven de prijs.

8.

Een markt met maar één aanbieder heet een ...

a)

... markt van volkomen concurrentie.

b)

... een markt van monopolistische concurrentie.

c)

... een markt van oligopolie.

d)

... een markt van monopolie

9.

Een markt met veel aanbieders met een onderscheidend product heet een ...

a)

... markt van volkomen concurrentie.

b)

... een markt van monopolistische concurrentie.

c)

... een markt van oligopolie.

d)

... een markt van monopolie

10.

Het verschil tussen volkomen concurrentie en oligopolie is ...

a)

... de aard van het product.

b)

... het aantal aanbieders.

c)

... de prijs van het product.

d)

... het aantal afnemers.