wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bevolking en Ruimte | Examentraining | KADER/MAVO

Total questions: 50

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Groei van de bevolking door het verschil tussen geboorte en sterfte, heet ook wel....

a)

Demografische transitie

b)

Geboorteoverschot

c)

Natuurlijke bevolkingsgroei

d)

Sociale bevolkingsgroei

2.

Wanneer was de babyboom?

a)

Tussen 1915 en 1935

b)

Tussen 1925 en 1945

c)

Tussen 1945 en 1965

d)

Tussen 1965 en 1985

3.

In dit plaatje hiernaast van Nederland is sprake van....

a)

Vergrijzing en vergroening

b)

Vergrijzing en ontgroening

c)

Ontgrijzing en vergroening

d)

Ontgrijzing en ontgroening

4.

Wat is ontgroening?

a)

Aandeel jongeren dat afneemt

b)

Aandeel jongeren wat toeneemt

c)

Aandeel jongeren wat afneemt en aandeel ouderen wat toeneemt

d)

Aandeel jongeren wat toeneemt en het aandeel ouderen wat toeneemt

5.

Wat zie je in dit plaatje niet?

a)

Een bevolkingspiramide

b)

De babyboom

c)

Ontgroening

d)

Sociale bevolkingsgroei

6.

Deze cirkeldiagram gaat over...

a)

De sociale bevolkingsgroei

b)

De natuurlijke bevolkingsgroei

c)

De integratie

d)

Congestie

7.

Welk begrip hoort niet bij dit plaatje?

a)

Seizoensmigranten

b)

Contractarbeider

c)

Gastarbeiders

d)

Re-migranten

8.

Hoe noem je de mensen die vanaf 1965 naar Nederland zijn gekomen om te werken?

a)

Seizoensmigranten

b)

Contractarbeider

c)

Gastarbeiders

d)

Re-migranten

9.

Wat neemt in de komende jaren in Nederland af?

a)

Vergrijzing

b)

Het sterftecijfer

c)

De levensverwachting

d)

Het geboortecijfer

10.

Hoe is de randstad ontstaan?

a)

Concentrische groei

b)

Groei uit meerkernen

c)

Door suburbanisatie

d)

Door re-migratie

11.

In ons land wonen de meeste mensen in...

a)

Noorden

b)

Oosten

c)

Zuiden

d)

Westen

12.

Waar ligt 'het Groene Hart' in Nederland?

a)

in het noorden

b)

in het oosten

c)

in het zuiden

d)

in het westen

13.

De meeste 'krimp' in Nederland is te vinden...

a)

Bij wateren in de buurt

b)

Bij grote steden

c)

Centraal in het midden van Nederland

d)

Langs de randen van het land

14.

Welke provincie kent een krimpregio

a)

Friesland

b)

Overijssel

c)

Limburg

d)

Noord-Brabant

15.

Welk begrip hoort niet bij dit plaatje?

a)

Urbanisatie

b)

Re-urbanisatie

c)

Stedelijke zone

d)

Suburbanisatie

16.

Het verschijnsel dat mensen massaal de stad uit verhuizen, heet...

a)

Verstedelijking

b)

Urbanisatie

c)

Suburbanisatie

d)

Re-urbanisatie

17.

Wat vond na 1960 in Nederland plaats?

a)

Verstedelijking

b)

Urbanisatie

c)

Suburbanisatie

d)

Re-urbanisatie

18.

Welk begrip hoort niet bij dit plaatje?

a)

Forensisme

b)

Congestie

c)

Infrastructuur

d)

Drempelwaarde

19.

Wat is de juiste volgorde voor de verstedelijking van Nederland?

a)

Suburbanisatie, urbanisatie, re-urbanisatie

b)

Urbanisatie, suburbanisatie, re-urbanisatie

c)

Suburbanisatie, re-urbanisatie, urbanisatie

d)

Urbanisatie, re-urbanisatie, suburbanisatie

20.

Een kapper heeft minimaal 150 klanten per week nodig om te blijven bestaan. '150' is dan...

a)

De reikwijdte

b)

De drempelwaarde

c)

Het verzorgingsgebied

d)

De mobiliteit

21.

De maximale afstand die mensen willen afleggen om van een voorziening gebruik te maken. Welk begrip is dit?

a)

De reikwijdte

b)

De drempelwaarde

c)

Het verzorgingsgebied

d)

De mobiliteit

22.

Welke voorziening heeft de grootste reikwijdte?

a)

Voetbalstadion van De Graafschap

b)

Luchthaven Schiphol

c)

Dierentuin Burgers Zoo

d)

Beatrix ziekenhuis Winterswijk

23.

Wat hoort er bij lijn A te staan?

a)

Natuurlijke bevolkingsgroei

b)

Sociale bevolkingsgroei

c)

Geboorteoverschot

d)

Vestigingsoverschot

24.

Wat hoort er bij lijn B te staan?

a)

Natuurlijke bevolkingsgroei

b)

Sociale bevolkingsgroei

c)

Geboorteoverschot

d)

Vestigingsoverschot

25.

Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich veel soorten migranten in Duitsland. Welke van de volgende groepen hoorde daar niet bij?

a)

Gastarbeiders uit onder andere Zuid-Europa en Turkije.

b)

Mensen die werden verdreven uit de vroegere Duitse gebieden in Polen en de Sovjet-Unie.

c)

Vluchtelingen uit landen waar ze werden vervolgd en onderdrukt.

d)

Volksduitsers uit de voormalige Duitse koloniën in Afrika en Azië.

26.

De toenemende vergrijzing kun je verklaren met behulp van drie oorzaken. Ten eerste is dat de geboortegolf van na de oorlog. Ten tweede is dat het gedaalde geboortecijfer. Ten derde is dat de stijging van de…

a)

Vergroening

b)

Ontgroening

c)

Levensverwachting

d)

Bevolking

27.

Welk begrip hoort bij B?

a)

Natuurlijke bevolkingsgroei

b)

Sterftecijfer

c)

Geboortecijfer

d)

Totale bevolking

28.

Welk begrip hoort bij A?

a)

Natuurlijke bevolkingsgroei

b)

Sterftecijfer

c)

Geboortecijfer

d)

Totale bevolking

29.

Welk begrip hoort bij C?

a)

Natuurlijke bevolkingsgroei

b)

Sterftecijfer

c)

Geboortecijfer

d)

Totale bevolking

30.

Sinds de Duitse eenwording in 1989 zijn de verschillen in bevolkingsdichtheid tussen de deelstaten groter geworden.

a)

Juist

b)

Onjuist

31.

Op het Oost-Duitse platteland trekken vooral de ouderen weg, omdat er bijna geen voorzieningen meer zijn voor bejaarden.

a)

Juist

b)

Onjuist

32.

Wat is de juiste omschrijving van het begrip migratie?

a)

Gastarbeid, suburbanisatie en woon-werkverkeer.

b)

Het veranderen van woongemeente.

c)

Migratie is hetzelfde als verhuizen

d)

Vestiging in het buitenland.

33.

Welke beweringen aan de hand van de tekening is juist?

a)

De reikwijdte van de dorpen is het grootst, die van de grote steden het kleinst.

b)

De tekening is een model van een stedelijk gebied zoals dat tussen Oberhausen (Ruhrgebied) en Bonn.

c)

De tekening laat zien hoe steden voor hun voorzieningen gericht zijn op de dorpen en kleinere steden.

d)

De tekening laat met behulp van pijlen zien dat er sprake is van een grote suburbanisatie.

34.

In krimpgebieden neemt het aantal huishoudens af. De gemeente komt hierdoor in grote financiële problemen. Kies de beste reden.

a)

De gezelligheid op straat verdwijnt doordat het aantal huishoudens terugloopt.

b)

Er zijn minder huishoudens die mee betalen aan het in stand houden van allerlei gemeentelijke voorzieningen zoals riolering, waterleiding en afvalverwerking.

c)

Het aantal bejaarden neemt sterk toe. De extra voorzieningen voor die leeftijdsgroep kosten de gemeente heel veel geld.

d)

In afgelegen krimpdorpen is geen openbaar vervoer. Men is aangewezen op de auto als vervoersmiddel, maar veel mensen kunnen de dure benzine niet meer betalen.

35.

De hoogste vertrekoverschotten hebben de flatwijken in het centrum van Berlijn. De huren zijn voor veel mensen bijna onbetaalbaar en de parkeertarieven voor de eigen auto zijn hoog.

a)

Juist

b)

Onjuist

36.

De integratie van de vele nieuwe bewoners van de Berlijnse flatwijken verloopt vaak moeizaam.

a)

Juist

b)

Onjuist

37.

In het voormalige communistische Oost-Duitsland waren te veel mensen in dienst van de staat, zoals de geheime dienst, politie en leger. Na de eenwording kregen deze ambtenaren werk in de kolenmijnen van het Ruhrgebied.

a)

Juist

b)

Onjuist

38.

De dorpsbewoners die in het oosten naar de steden trokken, kregen daar nieuwe banen aangeboden in de opbloeiende industrie.

a)

Juist

b)

Onjuist

39.

Vooral de jonge mensen vertrokken uit de oostelijke deelstaten, waardoor de vergrijzing hier sneller verliep dan in West-Duitsland.

a)

Juist

b)

Onjuist

40.

Doordat er naar verhouding veel jonge vrouwen vertrokken naar ‘het westen’, werden er steeds minder kinderen geboren in Oost-Duitsland.

a)

Juist

b)

Onjuist

41.

In welk deel van het land wonen verreweg de meeste Chinezen?

a)

Noorden

b)

Oosten

c)

Westen

d)

Zuid-westen

42.

Wat is de reden van de lage bevolkingsdichtheid in de lege gebieden van China?

a)

Door de goede verbindingen in de lege gebieden konden de mensen gemakkelijk wegtrekken naar streken waar meer bedrijvigheid en werkgelegenheid was

b)

De communistische regering heeft de inwoners gedwongen om te gaan verhuizen om te werken in de industrie in de grote steden.

c)

De ongunstige natuurlijke omstandigheden maken het leven in de lege gebieden zwaar. Het zijn altijd al gebieden geweest met een vertrekoverschot.

d)

In de lege gebieden worden veel machines gebruikt. Er is nauwelijks werk voor landarbeiders. Die trekken naar de grote steden in de hoop daar een nieuw bestaan op te bouwen.

43.

Welke nadeel heeft de Chinese éénkindpolitiek?

a)

Er werden in de steden te veel meisjes geboren. Daar waren te weinig mannelijke partners voor en er werden dus te weinig huwelijken gesloten.

b)

Er werden op het platteland te weinig jongetjes geboren om het zware boerenwerk te kunnen doen.

c)

Ouders die geen kinderen kregen, moesten een fikse boete betalen aan de overheid. Het is namelijk van groot belang dat er voldoende kinderen zijn om later voor hun bejaarde ouders te zorgen.

d)

Vooral op het platteland is het aantal abortussen van ongeboren meisjes schrikbarend hoog.

44.

Hoeveel inwoners zou China zonder de éénkindpolitiek nu ongeveer hebben geteld?

a)

400 miljoen mensen

b)

1,0 miljard mensen

c)

1,4 miljard mensen

d)

1,8 miljard mensen

45.

Na 1980 mochten buitenlandse bedrijven naar China komen om allerlei goederen te produceren en winst te maken. Waarom laat het communistische China bedrijven toe die winst willen maken en dus kapitalistisch zijn?

a)

Deze bedrijven brengen de westerse cultuur in China. Daar is veel vraag naar onder de Chinese bevolking.

b)

Deze bedrijven produceren hun goederen tegen lage lonen. De Chinese politieke partijen vinden het belangrijk dat China daardoor kan concurreren op de wereldmarkt.

c)

De westerse bedrijven mogen zich voorlopig alleen in het binnenland vestigen. China wil namelijk graag het lege binnenland ontwikkelen. Dat lukt beter met buitenlands kapitaal.

d)

De westerse bedrijven zorgen voor veel werkgelegenheid en een inkomen voor miljoenen gezinnen.

46.

De steden in China zijn de laatste tientallen jaren razendsnel gegroeid. Wat was de voornaamste oorzaak van de snelle groei van de Chinese steden?

a)

De enorme toestroom van migranten, die zich vooral in de Chinese steden vestigden.

b)

De grote trek naar de steden vanuit de plattelandsgebieden.

c)

Het hoge geboortecijfer in de stedelijke gebieden.

d)

De sterke stijging van de levensverwachting, dankzij de verbeterde medische en hygiënische voorzieningen in de stedelijke gebieden.

47.

De demografie van China verschilt van andere opkomende landen. Geef aan welke uitspraak juist is.

a)

Een hoog geboortecijfer gaat over het algemeen samen met een laag gemiddeld inkomen.

b)

Een hoog sterftecijfer komt voor in de ongezonde industriegebieden aan de oostkust

c)

Hoe lager het kindersterftecijfer is in een land, hoe lager het BBP per inwoner zal zijn.

d)

In China is het geboortecijfer relatief laag als gevolg van het lage inkomen per inwoner.

48.

De snelle urbanisatie van China gaat samen met meer congestie. Wat is congestie?

a)

De ruimtelijke ordening die nodig is om de toestroom van migranten vanuit het platteland op te vangen.

b)

Een verbeterde bereikbaarheid door de aanleg van nieuwe infrastructuur.

c)

Een verstopte infrastructuur vanwege de toenemende verkeersstromen.

d)

Milieubelasting als gevolg van de industrialisatie van de samenleving.

49.

Chinezen die zonder toestemming van de communistische overheid verhuizen naar een andere provincie hebben geen recht op onderwijs en gezondheidszorg

a)

Juist

b)

Onjuist

50.

Chinezen die zonder toestemming van de communistische overheid verhuizen naar een andere provincie zijn altijd seizoenarbeiders.

a)

Juist

b)

Onjuist