wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Canada | Dichtbij en Veraf

Total questions: 36

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Wat gebeurd er bij inzoomen?

a)

Van klein naar groot gebied

b)

Van groot naar klein gebied

c)

Je verschuift naar het westen

d)

je verschuift naar het oosten

2.

Wat is de Engelse naam voor een buitenwijk?

a)

Suburb

b)

Voorstad

c)

Subcity

d)

Geen van bovenstaande

3.

Welke volgorde klopt van groot naar klein?

a)

Continentaal, Mondiaal, Lokaal

b)

Mondiaal, Nationaal, Regionaal

c)

Nationaal, Lokaal, Regionaal

d)

Mondiaal, Regionaal, Nationaal

4.

Wat is bevolkingsspreiding?

a)

De hoeveelheid inwoners per vierkante meter

b)

Hoe de inwoners zijn verdeelt over het land

c)

Het kijken naar verschillende schalen op een kaart

d)

Inzoomen op een stad

5.

Wat is een ander woord voor regio?

a)

Gebied

b)

Topografie

c)

Deel

d)

Geen van bovenstaande

6.
Een deel van het aardoppervlak. Welk begrip is hier omschreven?
a)
legenda
b)
kaart
c)
gebied
d)
oppervlakte
7.
Om een kaart goed te kunnen lezen heb je 4 dingen nodig. Welke hoort er niet bij?
a)
titel
b)
schaal
c)
bril
d)
legenda
8.
Wat gebeurt er met de relatieve afstand als de pont wordt vervangen door een brug?
a)
Wordt groter
b)
Blijft gelijk
c)
Wordt kleiner
9.
Wat mist er op deze kaart?
a)
Legenda
b)
Noordpijl
c)
Schaal
d)
Titel
10.
De afstand van het Centraal Station naar de Dam is op de kaart 5 cm. De schaal van de kaart is 1:20.000.
a)
0,1 km
b)
1 km
c)
0,2 km
d)
2 km
11.
Waar of niet waar?
Als je een kleiner gebied wilt bekijken met meer detail, moet je inzoomen.
a)
Waar
b)
Niet waar
12.
Op een overzichtskaart van de wereld zie je meer detail dan op een overzichtskaart van Vancouver.
a)
Waar
b)
Niet waar
13.
Op deze kaart kan je de ................. aflezen.
a)
Breedteligging
b)
Lengteligging
14.
Welk begrip past het bij de afbeelding?
a)
Bevolkingsdichtheid 
b)
Evenaar 
c)
Schaal 
d)
Absolute afstand
15.
De rode lijn geeft de ............. aan
a)
Absolute afstand
b)
Relatieve afstand
16.
Schaal 1:200.000 betekent dat 1 centimeter op de kaart in werkelijkheid ............. centimeter is.
a)
2
b)
200
c)
2.000
d)
200.000
17.

Een ander woord voor reliëf is

a)

Hoogte in het landschap

b)

Hoogvlakte in het landschap

c)

Hoogteligging in het landschap

d)

Hoogteverschil in het landschap

18.

Als in een gebergte de meeste toppen rond de 1.000 m zijn spreken we van een

a)

heuvelland

b)

middelgebergte

c)

hooggebergte

19.

Een vlak gebied op een hoogte van 400 m.

a)

laagvlakte

b)

hoogvlakte

c)

middelvlakte

20.

De reliëfvorm met de meeste toppen tussen de 200 en 500 m, noemen we

a)

Heuvelland

b)

Middelgebergte

c)

Hooggebergte

d)

Laagland

21.

Een thematische kaart gaat over een onderwerp, bijvoorbeeld het klimaat.

a)

waar

b)

niet waar

22.

In een overzichtskaart is altijd een thema dat wordt behandeld

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Wat heb je nodig om een kaart goed te kunnen lezen?

a)

Ogen - legenda - schaal - titel

b)

titel - legenda - schaal en noordpijl

c)

noordpijl en legenda

24.

Waar vind je de noordpijl als die niet op de kaart staat?

a)

Boven aan de kaart

b)

Onder aan de kaart

c)

zijkant

25.

Schaal 1:250.000

a)

1 cm op de kaart is in werkelijkheid 2,5 km

b)

1 cm op de kaart is in werkelijkheid 25 km

c)

1 cm op de kaart is in werkelijkheid 250 km

d)

1 cm op de kaart is in werkelijkheid 0,25 km

26.

Wat is een legenda?

a)

Een lijst met de betekenis van alles in de boek.

b)

Een lijst met de betekenis van alles in een atlas.

c)

Een lijst waarin je kunt vinden waar alles staat in een atlas.

27.

Peter onderzoekt de armoede in de wereld. Welk schaalniveau is dit?

a)

Mondiaal schaalniveau

b)

Continentaal schaalniveau

c)

Nationaal schaalniveau

d)

Regionaal schaalniveau

e)

Lokaal schaalniveau

28.

Erik zegt dat het inkomen in het noorden van Nederland lager ligt dan in het zuiden. Welk niveau past hierbij.

a)

Mondiaal schaalniveau

b)

Continentaal schaalniveau

c)

Nationaal schaalniveau

d)

Regionaal schaalniveau

e)

Lokaal schaalniveau

29.

Bij welk niveau hoort deze uitspraak? ''In het drukke stadscentrum van Maastricht hebben de mensen een hoger salaris dan in de buitenwijken''

a)

Mondiaal schaalniveau

b)

Continentaal schaalniveau

c)

Nationaal schaalniveau

d)

Regionaal schaalniveau

e)

Lokaal schaalniveau

30.

Wanneer je kijkt naar een streek of provincie dan kijk je op ...

a)

Mondiaal schaalniveau

b)

Continentaal schaalniveau

c)

Nationaal schaalniveau

d)

Regionaal schaalniveau

e)

Lokaal schaalniveau

31.

Als je eerst op mondiaal schaalniveau kijkt en daarna op contintaal schaalniveau... Wat doe je dan??

a)

inzoomen

b)

uitzoomen

32.
Wat is een ander woord voor breedtecirkel is......
a)
Lengtecirkel
b)
Nulmeridiaan
c)
Evenaar
d)
Parallel
33.
Op hoeveel graden kan een plaats maximaal van de evenaar afliggen?
a)
180 graden
b)
90 graden
c)
160 graden
d)
360 graden
34.
Meridianen lopen van pool tot pool. Deze zin is....
a)
Juist
b)
Onjuist
35.
Ligt een plaats ten westen van de nulmeridiaan dan ligt deze plaats op....
a)
Oosterlengte
b)
Noorderbreedte
c)
Westerlengte
d)
Zuiderbreedte
36.
De evenaar is een breedtecirkel. Is deze zin juist of onjuist?
a)
Juist
b)
Onjuist