wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grieken TvG H2 par 1 en 2

Total questions: 12

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

De Tijd van Grieken en Romeinen duurt van

a)

5000 v. Chr. tot 500 n. Chr.

b)

500 tot 1000

c)

3000 v. Chr. tot 500 n. Chr.

d)

1600 tot 1700

2.

Door geografische omstandigheden konden de Grieken lastig met elkaar communiceren en ontstonden er stadstaten. Welke 2 antwoorden horen hierbij?

a)

Er waren veel rivieren.

b)

Er waren veel eilanden.

c)

Het land was erg bergachtig.

d)

Het land was een woestijn.

3.

Een ander woord voor stadstaat is

a)

Agora

b)

Kolonie

c)

Athena

d)

Polis

4.

Door het landschap kwam er vaak hongersnood voor. Daarom gingen de Grieken

a)

Kunstmest gebruiken

b)

Kolonies stichten

c)

Bergen afgraven

d)

Meer mensen boer laten worden

5.

Bij een monarchie

a)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

b)

zijn meerdere personen samen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

6.

Bij een aristocratie

a)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

b)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

7.

Bij een tirannie

a)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

b)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

8.

Bij een democratie

a)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

b)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

c)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

d)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

9.

In Athene mocht je meebeslissen als je burgerrecht had. Wie hadden dat?

a)

Vreemdelingen

b)

Vrouwen

c)

Kinderen onder de 18

d)

Mannen

10.

Solon voerde in 594 v. Chr. in Athene de .... in

a)

slavernij

b)

tirannie

c)

volksvergadering

d)

Raad van Vijfhonderd

11.

In 510 v. Chr. kreeg de volksvergadering er taken bij. Welke hoort er niet bij?

a)

Het invoeren van het ostracisme

b)

Het kiezen van een Raad van Vijfhonderd

c)

Het kiezen van leiders van het leger en oorlogsvloot

d)

Het kiezen van de beschermgod van de stad

e)

Het kiezen van rechters

12.

Pericles voerde het presentiegeld in. In welk jaar deed hij dat?

a)

460 v. Chr.

b)

453 v. Chr.

c)

510 v. Chr.

d)

594 v. Chr.