Font size
WorksheetsDe voorzetsels (preposities)
Total questions: 15
Worksheet time: 9mins
Dit zijn de kinderen ___________ Marie en Tom. (Ce sont les enfants de Marie et Tom).
naar
in
van
met
Peter en An komen _________ Leuven. (Peter et An viennent de Louvain).
uit
met
in
op
Marie woont nu ____________ Antwerpen. (Marie habite maintenant à Anvers).
bij
in
met
van
Tom luistert graag ____________ muziek. (Tom aime écouter de la musique).
in
na
voor
naar
Marie doet veel ___________ sport. (Marie fait beaucoup de sport).
met
aan
bij
boven
De kinderen moeten __________ acht uur naar bed. (Les enfants doivent aller se coucher à huit heure).
in
van
om
bij
We kunnen onze auto ___________ de garage parkeren. (Nous pouvons garer notre voiture dans le garage).
met
door
in
aan
De foto hangt ____________ de muur. (La photo est accrochée au mur).
aan
door
in
na
Wanneer ga je ____________ Spanje? (Quand pars-tu en Espagne?)
in
naar
door
voor
Alex speelt _____________ zijn kleine broer. (Alex joue avec son petit frère.)
door
onder
van
met
De film begint (a) negen uur. (Le film commence à 9 heures.)
Ik woon (a) een groot huis. (J´habite dans une grande maison.)
Marie werkt (a) kantoor. (Marie travaille au bureau).
Mauro komt (a) Italië. (Mauro vient d´Italie.)
We zijn in Spanje (a) vakantie. (Nous sommes en vacances en Espagne.)
