Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

(Pre)historie - oefening 4

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

De voorkant van dit boek is historisch onjuist.

Wat klopt er niet?

Kies het juist antwoord hieronder:

a)

Er waren nog geen fietsen in het oude Egypte.

b)

Mummies waren niet geheel in verband gewikkeld.

c)

Er staat geen piramide op, dus het kan niet over mummies gaan

d)

Scarabeeën (soort mestkever) leefden niet in Egypte

2.

Een offer is een

a)

lichaam van een rijke dode

b)

een dure soort wijn

c)

geschenk aan de goden

d)

een soort kameel

3.

Een ambtenaar is

a)

de manier waarop in een land wetten worden gemaakt

b)

geld betalen aan de regering

c)

een rijke inwoner van Egypte

d)

iemand die voor de leiders van zijn land werkt

4.

Wat is geen ambacht?

a)

pottenbakken

b)

uitslapen

c)

timmerman

d)

muzikant

5.

Wat is het 'Schrift'?

a)

een uitgestorven diersoort

b)

tekens die klanken of woorden betekenen

c)

het grote boek van Sinterklaas

d)

een boek zonder lijntjes en plaatjes

6.

irrigatie is

a)

je ergeren aan anderen

b)

akkers beschermen tegen de zon

c)

de waterstand van de Nijl controleren

d)

water over land laten lopen

7.

De hiërogliefen ontstonden omdat men in Egypte ...

a)

de grote daden van de farao wilde beschrijven

b)

de belasting en de betaling van ambtenaren wilde bijhouden

c)

verslag wilde doen van oorlogen en veldslagen

d)

zorgen dat historici geschreven bronnen hadden

8.

Een samenleving is gelaagd als ...

a)

deze bestuurd wordt door een kleine groep ambtenaren.

b)

er slaven gebruikt worden voor de zware arbeid.

c)

vrouwen ongelijk behandeld worden ten opzichte van mannen.

d)

de samenleving in verschillende bevolkingslagen is verdeeld.

9.

De farao werd als god vereerd omdat hij:

a)

de leiding had over het land.

b)

de verdediging van het land leidde.

c)

hoge priesters benoemde.

d)

de waterhuishouding leidde.

10.

De taak van de priesters was dat ze:

a)

huwelijken sloten.

b)

de farao hielpen met besturen.

c)

de verering van de goden leidden.

d)

hun eigen land bewerkten.

11.

Niet alle leerstof uit dit hoofdstuk gaat over de prehistorie.

Wanneer eindigt de prehistorie in Egypte?

a)

± 5000 jaar voor Chr.

b)

± 4000 jaar voor Chr.

c)

± 3000 jaar voor Chr.

d)

± 2000 jaar voor Chr.

12.

Een hiëroglief is een:

a)

grafkamer in een piramide.

b)

schrijver van de farao.

c)

teken van mens, dier of ding uit het Egyptische schrift.

d)

kalkstenen beeld bij de rotsgraven.

13.

Een piramide is een:

a)

spits toelopend graf van een Egyptische koning.

b)

teken uit het Egyptische beeldschrift.

c)

bewerkt lichaam van een dode.

d)

koning in het Oude Egypte.

14.

Een mummie is:

a)

een belangrijke helper van de farao.

b)

het lichaam van een dode dat is bewerkt om bederf tegen te gaan.

c)

een kolossaal spits toelopend graf van een Egyptische koning.

d)

een teken uit het Egyptische beeldschrift.

15.

Waarom was de Nijl zo belangrijk?

a)

De overstromingen van de Nijl zorgde voor vruchtbare grond

b)

De Nijl zorgde voor voldoende water

c)

De Nijl was de grootste rivier in Egypte

d)

Op de Nijl konden mooie boottochten gemaakt worden

16.

Dat Egypte zich ontwikkelde tot een rijk en machtig land had te maken met

a)

de nijl en landbouwoverschotten

b)

sterke farao's

c)

veroveringen van het leger

d)

de goden

17.

Wat voor samenleving ontstond er in het Oude Egypte?

a)

landbouwsamenleving

b)

landbouw-stedelijke samenleving

c)

stedelijke samenleving

d)

industriële samenleving

18.

Wie had of hadden in het Oude Egypte de leiding?

a)

De ambtenaren

b)

De gewone Egyptenaren

c)

De farao

d)

De legeraanvoerders

19.

Egypte was een staat, wat betekent het begrip staat?

a)

de Egyptenaren leefden van de landbouw

b)

ze betaalden belasting aan de farao

c)

Stad waar mensen met verschillende beroepen samenleven

d)

Een land met duidelijke grenzen, één bestuur en dezelfde wetten en regels

20.

Het geloven in meerdere goden noemen we

a)

Polytheïsme

b)

Monotheïsme

c)

Natuurgodsdienst

d)

Offers