wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

toetsweek 1 M4

Total questions: 91

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.
Vet is een anorganische stof
a)
Juist
b)
Onjuist
2.
Wat zijn enzymen?
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Mineralen
d)
Vetten
3.
1 enzym kan...
a)
Knippen
b)
Plakken
c)
Knippen EN plakken
d)
Knippen OF  plakken
4.
Dit organisme doet...
a)
Verbranding
b)
Fotosynthese
c)
Verbranding EN fotosynthese
d)
Niks
5.
Zetmeel van glucose maken noemen we...
a)
Onsimilatie
b)
Dissimilatie
c)
Assimilatie
d)
Stimulatie
6.
In jou zit(ten)...
a)
Organische EN anorganische stoffen
b)
Organische stoffen
c)
Anorganische stoffen
7.

Hoe hoger de pH (zuurgraad) hoe zuurder het is

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

In organische stoffen zit veel energie.

a)

juist

b)

onjuist

9.

Vertering is een voorbeeld van stofwisseling

a)

juist

b)

onjuist

10.

Planten doen niet aan stofwisseling.

a)

juist

b)

onjuist

11.

Welke stof die bij fotosynthese ontstaat bevat energie?

(a)  

12.

Wat heeft een plant nodig voor fotosynthese? (meerdere antwoorden goed)

a)

Glucose

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

d)

Water

e)

Zonlicht

13.

Welke stoffen ontstaan er na fotosynthese?

a)

Glucose en koolstofdioxide

b)

Glucose en zuurstof

c)

Water en zuurstof

d)

Water en glucose

e)

Water en koolstofdioxide

14.

In welk celorganel vindt fotosynthese plaats?

a)

Mitochondriën

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celkern

d)

Celwand

15.

Bekijk de afbeelding. Bij welke nummers kan fotosynthese plaatsvinden?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

16.

Een perenboom heeft energie nodig voor fotosynthese. Waar komt deze energie vandaan?

a)

Peren

b)

Bladgroenkorrels

c)

Bodem

d)

Zonlicht

17.

In welke cellen komen bladgroenkorrels voor?

a)

Cellen van mensen

b)

Cellen van dieren

c)

Cellen van planten

18.

Maak de zin af:

In bladgroenkorrels wordt glucose (1).

Energie wordt dus (2).

a)

1: gemaakt, 2: vastgelegd

b)

1: gemaakt, 2: vrijgemaakt

c)

1: afgebroken, 2: vastgelegd

d)

1: afgebroken, 2: vrijgemaakt

19.

De omzetting van glucose in energie heet ook wel ...

a)

fotosynthese

b)

verbranding

20.
Welke 2 stoffen komen altijd vrij bij de verbranding van een kaars?
a)
zuurstof en water 
b)
kaarsvet en koolstofdioxide
c)
water en koolstofdioxide
d)
water en zuurstof 
water en kaarsvet
21.

Ontstaat koolstofdioxide bij fotosynthese?

a)

Ja

b)

Nee

22.

Nemen de huidmondjes vooral water op voor de fotosynthese?

a)

Ja

b)

Nee

23.

Vindt er 's nachts verbranding plaats in organismen?

a)

Ja

b)

nee

24.

Vul het ontbrekende woord in:

Voor verbranding in een lichaamscel is glucose nodig en (a)  

25.

Bij verbranding in een lichaamscel ontstaat:

water + (a)   + energie

26.

Hoe groter de inspanning hoe ... verbranding er plaatsvindt.

a)

minder

b)

meer

27.

Bij grotere inspanning...

a)

... moeten organen zoals het hart en de longen harder werken.

b)

... vind er minder verbranding plaats.

c)

.... vind er geen stofwisseling plaats.

d)

.... wordt er minder zuurstof gebruikt.

28.

Welke stoffen zijn alleen maar abiotisch?

a)

water, grond, biotoop, temperatuur

b)

grond, voedsel, lucht, neerslag

c)

vijand, aarde, water, bodem

d)

neerslag, roofdier, levensgemeenschap

29.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

30.

Tot welke categorie behoren de afvaleters?

a)

reducenten

b)

producenten

c)

consumenten

d)

predatoren

31.

Wat zijn reducenten?

a)

bacteriën

b)

bacteriën en schimmels

c)

afvaleters

d)

eencellige diertjes

32.

Waarom heeft een pionier ecosysteem weinig voedingsstoffen in de bodem?

a)

weinig humus, doordat er nog niet veel is doodgegaan

b)

nog maar weinig planten

c)

het zijn alleen maar rotsen

d)

er is te weinig water

33.

Wat is een voordeel van het lopen als zoolganger?

a)

dat je schoen beter zit.

b)

je zakt niet weg op zachte ondergrond

c)

kan je hard rennen

d)

kan je beter geruisloos lopen (sluipen)

34.

Welke plant heeft het grootste wortelstelsel?

a)

waterplanten

b)

planten in droge gebieden

c)

planten met genoeg water om zich heen

d)

planten in het regenwoud

35.

Welk orgaan heeft deze taak:

Nemen water en mineralen op uit de bodem, zetten de plant vast in de bodem.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

36.

Welk orgaan heeft deze taak:

Voor transport van stoffen en rechtop houden (stevigheid) van de plant.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

37.

Welk orgaan heeft deze taak:

Hier maakt een plant voedingsstoffen, dat is fotosynthese.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

38.

Wat is de juiste volgorde van zuigkracht?

  1. De bladcellen verliezen water
  2. De wortels nemen weer nieuw water op.
  3. Er verdampt water uit de huidmondjes.
  4. Er stroomt water vanuit de houtvaten naar de bladcellen.
a)

3-1-4-2

b)

1-2-3-4

c)

2-4-1-3

d)

4-3-2-1

39.

Van welke vaten is dit:

Hierdoor stroomt water met mineralen uit de wortels omhoog.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

40.

Van welke vaten is dit:

Liggen aan de binnenkant van de vaatbundels.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

41.

Van welke vaten is dit:

liggen aan de buitenkant van de vaatbundel

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

42.

Van welke vaten is dit:

Vervoer van water met glucose vanuit de bladeren naar de andere organen

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

43.

Hoe worden de grote gekleurde bladeren van een bloem genoemd, die dienen voor het aanlokken van insecten?

a)

kroonbladeren

b)

kelkbladeren

c)

bladeren van de steel

44.

Wat is de functie van de kelkbladeren?

a)

aanlokken van insecten

b)

beschermen van de bloem als deze nog in de knop zit

c)

hierop staan alle onderdelen van een bloem

d)

deze bladeren vormen zich later tot de kroonbladeren

45.

Waar worden de stuifmeelkorrels geproduceerd?

a)

helmknop

b)

helmhokjes

c)

helmdraad

d)

vruchtbeginsel

46.

Hoe wordt het mannelijke geslachtsorgaan van een plant genoemd?

a)

helmdraad

b)

stamper

c)

meeldraad

d)

stempel

47.

Hoe wordt het vrouwelijke geslachtsorgaan van een plant genoemd?

a)

meeldraad

b)

stamper

c)

vruchtbeginsel

d)

stempel

48.

Een bloem beschikt alleen over een stamper, is deze bloem eenslachtig of tweeslachtig en is deze bloem mannelijk of juist vrouwelijk?

a)

eenslachtig en mannelijk

b)

tweeslachtig en mannelijk

c)

eenslachtig en vrouwelijk

d)

tweeslachtig en vrouwelijk

49.

Hoe wordt het proces genoemd waarbij stuifmeel van de ene plant op de stempel van een andere plant terecht komt ? (de planten behoren tot dezelfde soort)

a)

bevruchting

b)

stuifmeel overdracht

c)

bestuiving

d)

kieming

50.

Welk antwoord behoort NIET tot insectenbloemen?

a)

produceren veel stuifmeel

b)

hebben grote opvallende kroonbladeren

c)

produceren vaak nectar

d)

verspreiden een lokkende geur

51.

Wat vormt er zich als eerste na bestuiving uit de stuifmeelkorrel?

a)

stuifmeelbuis

b)

zaadbeginsel

c)

vruchtvlees

d)

een kiem

52.

In zaden zit het begin van een nieuw plantje. Hoe wordt dit jonge plantje genoemd?

a)

vrucht

b)

navel

c)

kiem

d)

zaadlob

53.

Welke eigenschap(pen) behoren niet tot windbloemen?

a)

produceren veel stuifmeel

b)

verspreiden een lokkende geur

c)

hebben kleine stempels

d)

meeldraden zitten vakken binnen de bloem

54.

Wat is waar als het gaat om ongeslachtelijke voortplanting?

a)

stekken is hier een voorbeeld van

b)

er vindt bevruchting plaats

c)

er komen geen geslachtscellen bij kijken

d)

voor ongeslachtelijke voortplanting heb je nog wel een vrouwelijk en mannelijk organismen nodig

55.

Hiernaast zie je een plantencel. Welk onderdeel hoort bij nummer 2?

a)

celkern

b)

vacuole

c)

cytoplasma / celplasma

d)

celwand

56.

Kruidachtige planten zijn stevig door:

a)

Water in de cel

b)

Water buiten de cel

c)

Door dikke celwanden van houtstof

d)

Door dunne celwanden van houtstof

57.

Houtachtige planten zijn stevig door:

a)

Water in de cel

b)

Water buiten de cel

c)

Door dikke celwanden van houtstof

d)

Door dunne celwanden van houtstof

58.
Welke van onderstaande factoren is biotisch?
a)
reducenten
b)
bodemvochtigheid
c)
waterdiepte
d)
grondsoort
59.

De onderstaande factoren bepalen hoeveel muizen in een gebied kunnen voorkomen. Welke van deze factoren zijn abiotische factoren?

a)

Hoeveelheid regen er jaarlijks in een gebied valt

b)

De boomsoorten die in het gebied voorkomen

c)

Hoeveel roofvogels er in het gebied voorkomen

d)

Hoeveel parasieten er in het gebied voorkomen

60.

Het aantal individuen van een bepaalde soort die samen leven in een bepaald gebied, noemen we ook wel een...….

a)

ecosysteem

b)

populatie

c)

samenleving

d)

levensgemeenschap

61.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
62.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
63.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
64.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
65.
Hoe noem je alle abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
66.
Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
67.
De libel is een consument van de 4e orde.
a)
juist
b)
onjuist
68.
Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
69.
Wat is een voedselweb?
a)
Een reeks van eten en gegeten worden.
b)
Alle biotische factoren in een ecosysteem.
c)
Alle voedselrelaties in een ecosysteem.
70.
Hoe noemen we de bacteriën en schimmels in een voedselketen?
a)
afvaleters
b)
consumenten
c)
reducenten
71.
Producenten zijn...
a)
autotroof
b)
heterotroof
72.
Consumenten zijn...
a)
autotroof
b)
heterotroof
73.
Een rups is ...
a)
autotroof.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
omnivoor.
d)
een producent.
74.
Wat ontbreekt bij nummer 2?
a)
consument
b)
producent
c)
reducent
d)
afvaleters
75.
Wat ontbreekt bij nummer 3?
a)
consument
b)
reducent
c)
producent
d)
afvaleters
76.
Wat ontbreekt bij nummer 4?
a)
fotosynthese
b)
verbranding
77.
Waarom hebben organismen stikstofzouten nodig?
a)
Ze maken hier koolhydraten van.
b)
Ze maken hier vetten van.
c)
Ze maken hier eiwitten van.
78.
Wat hoort er bij nr 1 te staan?
a)
dierlijke eiwitten
b)
afvalstoffen
c)
verbranding
d)
stikstofzouten
79.
Wat hoort er bij nr 2?
a)
dierlijke eiwitten
b)
afvalstoffen
c)
stikstofzouten
d)
verbranding
80.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
81.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
82.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
83.
Welke schakel heeft altijd de grootste biomassa?
a)
consumenten eerste orde
b)
consumenten 2e orde
c)
producenten
84.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
85.
Dit diagram noemen we ook wel een...
a)
minimum-maximumkromme.
b)
staafdiagram.
c)
milieukromme.
d)
optimumkromme.
86.
Boven het maximum en onder het minimum gaan organismen dood.
a)
juist
b)
onjuist
87.
Een eerste ecosysteem op een onbegroeid terrein noemen we een.....
a)
climaxecosysteem.
b)
biologisch evenwicht.
c)
pioniers ecosysteem
88.
Een pioniersecosysteem heeft veel verschillende soorten planten en dieren.
a)
juist
b)
onjuist
89.
Bij een climaxecosysteem is de biodiversiteit hoog.
a)
juist
b)
onjuist
90.
Onze Nederlandse bossen zijn climaxecosystemen.
a)
juist
b)
onjuist
91.
Een opeenvolging van planten- en diersoorten in een gebied noemen we...
a)
een biologisch evenwicht.
b)
een ecosysteem.
c)
successie
d)
een climax.