wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Demografie 2

Total questions: 27

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste formule voor het berekenen van bevolkingsdichtheid van een land?

a)

Je deelt de oppervlakte van het land door het aantal inwoners van het land.

b)

Je deelt de inwoners van een land door de oppervlakte van het land.

c)

Geen van beide antwoorden is juist.

2.

De afbeelding gaat over de bevolkingsspreiding van een gebied.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Absolute getallen zijn percentages.

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Relatieve getallen zijn percentages.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Geef aan welke onderdelen horen bij natuurlijke bevolkingsgroei.

a)

Geboortecijfer

b)

Sterftecijfer

c)

Immigratie

d)

Emigratie

6.

Er is sprake van een sterfteoverschot zodra er minder ouderen dood gaan dan dat er kinderen geboren worden.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Het migratiesaldo is de som van vestiging en vertrek.

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

De bevolkingsdiagram van een opkomend land heeft vaak de vorm van een granaat.

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Op de afbeelding zie je een land waarvan de bevolking sterk toeneemt.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

De levensverwachting van mensen verbetert voornamelijk door de verbeteringen in de medische wereld.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Welke redenen hebben mensen in arme landen om veel kinderen te krijgen?

a)

Ze zijn nodig om mee te werken.

b)

Veel kinderen sterven jong

c)

Veel mensen trouwen later.

d)

Er is geen geboorteplanning.

12.

In fase 3 van het demografisch transitiemodel groeit de bevolking nog.

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Geef aan welke vormen van migratie onder economische migratie vallen.

a)

Vluchtelingen

b)

Arbeidsmigratie

c)

Gezinshereniging

d)

Seizoensmigratie

14.

Bekijk de afbeelding. Kent dit gebied vooral push- of pullfactoren?

a)

Pushfactoren

b)

Pullfactoren

15.

Als het aandeel ouderen in de bevolking toeneemt, noem je dat ontgroening.

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Een sterfteoverschot leidt altijd tot bevolkingskrimp.

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Het demografisch transitiemodel kent vier fasen.

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Nederland zit in de vijfde fase van het demografisch transitiemodel.

a)

Juist

b)

Onjuist

19.

Welke factoren dragen bij aan het dalen van het sterftecijfer?

a)

Geboorteplanning

b)

Betere zorg

c)

Betere hygiëne

d)

Betere voedselvoorziening

20.

De bevolkingsdiagram op de afbeelding heeft de vorm van een:

a)

Piramide

b)

Granaat

c)

Urn

21.

In 1900 was het geboorte- en sterftecijfer in Nederland hoog.

In welke fase van het demografisch transitiemodel zat Nederland toen?

a)

Fase 1

b)

Fase 2

c)

Fase 3

d)

Fase 4

22.

Wanneer vond de 'babyboom' plaats?

a)

Voor de Eerste Wereldoorlog.

b)

Na de Eerste Wereldoorlog.

c)

Voor de Tweede Wereldoorlog.

d)

Na de Tweede Wereldoorlog.

23.

Bij welke fase van het demografisch transitiemodel past de 'babyboom'?

a)

Fase 1

b)

Fase 2

c)

Fase 3

d)

Fase 4

24.

Welke twee bevolkingsgroepen worden niet-productief genoemd?

a)

Jongeren (0-20 jaar)

b)

Volwassenen (20-65 jaar)

c)

Ouderen (65+)

25.

Welke twee omstandigheden dragen bij aan een hoge demografische druk?

a)

Er zijn veel jongeren in het land.

b)

Er zijn veel werkenden in het land.

c)

Er zijn veel ouderen in het land.

d)

Er zijn weinig ouderen in het land.

26.

Door vergrijzing en ontgroening wordt de demografische druk groter.

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

De formule om de demografische druk te berekenen is:

(0-20 jaar) + (65+ jaar) : 20-65 jaar x 100 = demografische druk.

a)

Juist

b)

Onjuist