wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling M&M 2A

Total questions: 41

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Welke schaal is het grootst?

a)

1 / 20 000

b)

1 / 10 000

c)

1 / 8 000

d)

1 / 200 000

2.

Op welke schaal zie je het minst details?

a)

1 / 20 000

b)

1 / 10 000

c)

1 / 8 000

d)

1 / 200 000

3.

Op welke schaal worden de werkelijke afstanden het grootst voorgesteld?

a)

1 / 10 000

b)

1 / 8 000

c)

1 / 20 000

d)

1 / 200 000

4.

Welk begrip hoort bij deze uitleg?

Je vindt overeenkomsten tussen de landschapselementen op kaart en in werkelijkheid?

a)

Situeren

b)

Oriënteren

c)

Dynastie

d)

Schaal

5.

Als op de windroos het westen bovenaan ligt, welke windrichting ligt dan onderaan?

a)

Noorden

b)

Zuiden

c)

Oosten

d)

Westen

6.

Welke windrichting ligt schuin boven het zuidwesten als het noorden bovenaan ligt?

a)

NW

b)

NE

c)

SE

d)

SW

7.

Henegouwen ligt ten ... van Oost-Vlaanderen

a)

Noorden

b)

Oosten

c)

Zuiden

d)

Westen

8.

Antwerpen ligt ten ... van Limburg

a)

N

b)

E

c)

S

d)

W

9.

Luxemburg ligt ten ... van Vlaams-Brabant.

Vul in met de juiste afkorting(en) van de windrichting!

(a)  

10.

De economie van Egypte is een ...

(a)  

11.

Deze mummiekist is van een ...

a)

Burger

b)

Priester

c)

Ambtenaar

d)

Farao

12.

De periode van het oude Egypte situeren we in

a)

Het oude Nabije Oosten

b)

De Klassieke Oudheid

c)

De Prehistorie

d)

De Middeleeuwen

13.

Het uitoefenen van de macht vanuit één persoon noemen we ...

a)

Dynastie

b)

Politieke organisatie

c)

Centralisatie

d)

Propaganda

14.

Het bestuur van Egypte had een ...

a)

propaganda

b)

dynastie

c)

hiërarchische structuur

15.

Bij welk domein hoort volgende stelling?

De farao leidt het leger.

a)

Politiek

b)

Economisch

c)

Cultureel

d)

Sociaal

16.

Wat is geen taak van de ambtenaren?

a)

Belastingen in natura innen

b)

Sjoemelen met inhoudsmaten

c)

Opschrijven

17.

Uit welke samenleving komt volgende stelling?

De onderdanen hebben vooral plichten.

a)

Het oude Egypte

b)

België vandaag

18.

Uit welke samenleving komt volgende stelling?

De onderdanen hebben geen politieke inspraak? Kies uit: België of Egypte

(a)  

19.

Cola, snoep, chips zijn voorbeelden van ...

a)

reële behoeften

b)

gecreëerde behoeften

c)

reële en gecreëerde behoeften

d)

geen van beide

20.

Deze afbeelding is een voorbeeld van ...

a)

Reclame

b)

Product placement

c)

Geen van beide

21.

Wat doe je als je bankkaart kwijt bent?

a)

Niets

b)

De bank verwittigen

c)

In hoekje huilen

d)

Cardstop bellen

22.

Duid het/de juiste antwoorden aan die betrekking hebben op de stelling.

Je hebt voor elke betaling je pincode / touch-id nodig.

a)

Contactloos betalen met debetkaart

b)

Contactloos betalen met smartphone

c)

Payconiq

d)

Cash geld

23.

Duid het/de juiste antwoorden aan die betrekking hebben op de stelling.

Je kan ermee betalen in winkels.

a)

Contactloos betalen met debetkaart

b)

Contactloos betalen met smartphone

c)

Payconiq

d)

Cash geld

24.

Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Phishingmail

b)

Payconiq

c)

Zichtrekening

25.

De klassieke oudheid situeren van ...

a)

3500 v.C tot 800 v.C.

b)

800 v.C tot 500

c)

500 tot 1450

d)

1450 tot 1750

26.

Welke periode loopt van 1450 tot 1750

a)

De prehistorie

b)

De vroegmoderne tijd

c)

De middeleeuwen

d)

De moderne tijd

27.

In welke samenleving leven wij?

a)

Voedselverzamelaars-jagers

b)

Landbouwsamenleving

c)

Industriële samenleving

d)

Post-industriële samenleving

28.

In welke samenleving leven de Oude Grieken?

a)

Voedselverzamelaars-jagers

b)

Landbouwsamenleving

c)

Industriële samenleving

d)

Post-industriële samenleving

29.

De verspreiding van de Griekse levenswijze naar gebieden rond de Middellandse Zee situeren we in ...

a)

Het economische domein

b)

Het culturele domein

c)

Het politieke domein

d)

Het sociale domein

30.

Een Griekse nederzetting heet ...

a)

Polis

b)

Stad

c)

Tempel

d)

City

31.

Duid het/de juiste antwoord(en) aan.

De Grieken deden aan ...

a)

Akkerbouw

b)

Tuinbouw

c)

Veeteelt

d)

Nomadische veeteelt

32.

Duid de kenmerken van een gesloten landbouwsamenleving aan.

a)

Regionale handel

b)

Lokale handel

c)

Zelfvoorzienend

d)

Weinig contact met andere poleis

e)

Geldeconomie

33.

Welke oorzaken kan je toeschrijven aan de Griekse migratie?

a)

Er was geen migratie

b)

Ruzie binnen machtige families

c)

Minder voedsel door snelle groei bevolking

d)

De Grieken wilden op avontuur

34.

Geef de gevolgen van de beroepsspecialisatie.

a)

Nood aan grondstoffen

b)

Nood aan afzetmarkten

c)

Nood aan sociaal contact

d)

Nood aan handel

e)

Nood aan andere lucht opsnuiven

35.

Welke troef had de ligging van Massalia voor de Grieken?

a)

Vruchtbare landbouwgronden

b)

Controle handelsroutes Middellandse Zee

c)

Controle graanhanden rond de Zwarte Zee

d)

Handelscontacten met de Kelten

36.

Welke troef had de ligging van Byzantion voor de Grieken?

a)

Vruchtbare landbouwgronden

b)

Controle handelsroutes Middellandse Zee

c)

Controle (graan)handel rond de Zwarte Zee

d)

Handelscontacten met de Etrusken

37.

Waarom vestigen de Grieken zich in de gebieden rond de Middellandse Zee?

a)

Ze vonden het daar mooi.

b)

Er was daar nog nooit iemand geweest.

c)

Ze kenden het klimaat.

d)

Het was toevallig.

38.

Duid het/de juiste antwoorden aan.

Rond 400 v.Chr. was er in de Griekse wereld ...

a)

Lokale handel

b)

Regionale handel

c)

Langeafstandshandel

d)

Geen handel

39.

Welke route was het snelst voor de langeafstandshandel in de Griekse wereld?

a)

Over land

b)

Over zee

c)

Via de lucht

d)

Geen van allen

40.

Welke identiteit wordt hier voorgesteld?

(a)  

41.

Welke identiteit wordt hier voorgesteld?

a)

Bewoner Korinthe

b)

Europese identeit

c)

Bewoner Atheense polis

d)

Bewoner Sparta