wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 basis woorden 1.5 + 2.5

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Aandoen betekent

a)

aantrekken (kleding)

b)

terugdeinzen

c)

invoeren

d)

smeken

2.

achteruitwijken betekent

a)

de informatie verwerken

b)

terugtrekken

c)

terugdeinzen

d)

achterbuurten

3.

opstarten betekent

a)

terugdeinzen

b)

bijlagen

c)

aanzetten

d)

nieuw beginnen

4.

invoeren betekent

a)

meenemen

b)

gering

c)

laten beginnen

d)

in de computer zetten

5.

het systeem

a)

de manier waarop iets is georganiseerd

b)

het smeken

c)

de laster

d)

het uitwisselen

6.

voorkomen

a)

wegmaken

b)

laten verdwijnen

c)

uitwisslen

d)

zorgen dat iets niet gebeurt

7.

wissen

a)

missen

b)

wegmaken

c)

gissen

d)

laten verdwijnen

8.

Als je iemand, die meer macht heeft dan jij, iets dringend vraagt dan ben je aan het...

a)

bedelen

b)

schooien

c)

smeken

d)

vragen

9.

terugdeinzen

a)

achteruitwijken

b)

schrikken

c)

terugtrekken

d)

trampolinespringen

10.

verbijsterd

a)

heel erg verblind

b)

heel erg bijziend

c)

heel erg verbaasd

d)

heel erg boos

11.

Advies geven over iets

a)

geloven

b)

aanraden

c)

makkelijk geloven

d)

hooguit

12.

Met heel veel

a)

massaal

b)

hooguit

c)

maximaal

d)

hooguit

13.

In goede handen zijn

a)

iemand heeft goed verzorgde handen

b)

op een goede manier doen

c)

niet laten vallen

d)

goed verzorgd worden

14.

makkelijk te geloven

a)

simpel

b)

begrijpelijk

c)

geloofwaardig

d)

van goede wil

15.

De manier die ervoor zorgt dat iets of iemand veilig is

a)

de bewaker

b)

de waakhond

c)

de dierproef

d)

de bescherming

16.

werkplaats waar proeven worden gedaan voor onderzoek

a)

de garage

b)

het ziekenhuis

c)

het hospitaal

d)

het laboratorium

17.

Iets (laten) zien dat in werkelijkheid anders is

a)

het gezichtsbedrog

b)

het foppen

c)

de waanvoorstelling

d)

de camouflage

18.

Bij mensen terechtkomen die je kwaad doen

a)

de ontvoering

b)

de overval

c)

in goede handen zijn

d)

in verkeerde handen vallen

19.

Het invoeren

a)

laten beginnen

b)

sneller laten gaan

c)

in de computer zetten

d)

in een land brengen

20.

Stuk papier met belangrijke informatie

a)

het document

b)

het diploma

c)

de bijsluiter

d)

de woordenlijst