wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederland: omgaan met energie en water

Total questions: 22

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de belangrijkste energiebron in Nederland?

a)

Stroom

b)

Aardgas

c)

Windenergie

d)

Zonne-energie

2.

Waar werd een enorme gasbel ontdekt

a)

Groningen, Groningen

b)

Friesland, Franeker

c)

Groningen, Slochteren

d)

Drenthe, Beilen

3.

Waar liggen nog meer gasbellen?

a)

In Gelderland, Drenthe en Friesland

b)

In Utrecht, Gelderland en de Noordzee

c)

In de Noordzee, de Waddenzee en Friesland

d)

In de Noordzee en de Waddenzee

4.

Aardgas is een fossiele energiebron of fossiele brandstof. Wat betekent dit?

a)

Dat je er fossielen in kunt vinden en dat het ontstaan is in de loop van de miljoenen jaren.

b)

Dat het uit resten van afgestorven planten, dieren en bomen is ontstaan. En dat het er miljoenen jaren over heeft gedaan om zich te vormen.

c)

Dat het een energiebron is die opgewekt is door energiecentrales.

d)

Dat het een energiebron is die ontstaan is uit andere brandstoffen.

5.

Wat zijn voorbeelden van duurzame energiebronnen

a)

Aardgas, benzine, zonnepanelen

b)

Windenergie, aardgas en zonne-energie

c)

Zonne- en windenergie

6.

Wat is duurzame energie?

a)

Energie die altijd blijft bestaan

b)

Energie die is opgewekt door energiebronnen die ooit opraken.

c)

Energie die uit de grond komt.

d)

Energie die is opgewekt door energiebronnen die nooit op raken.

7.

Waarom zijn fossiele brandstoffen en elektriciteit belangrijk voor de welvaart?

a)

Ze worden gebruikt om geld te verdienen. Voorbeelden zijn benzine, kerosine, diesel en elektriciteit.

b)

Ze worden gebruikt om auto's, vliegtuigen en boten te vervoeren. Ook kunnen fabrieken werken door steenkool en aardgas en elektriciteit.

c)

Ze worden gebruikt om iedereen te voorzien van alles wat we nodig hebben.

d)

Ze worden gebruikt om auto's, vliegtuigen en boten te vervoeren. Hierdoor kan het over de hele aarde worden verplaatst en verkocht.

8.

Wat zou het betekenen voor het hoge ontwikkelingspeil van ons land als de fossiele brandstoffen er niet waren?

a)

Dat zou er dan niet meer zijn

b)

Dat zou geen probleem zijn, we hebben nog wind- en zonne-energie.

c)

Dat zou lastig zijn, maar gelukkig hebben we nog wind- en zonne-energie.

9.

Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van de aardbevingen in Groningen?

a)

Scheuren in huizen, eventuele dijkdoorbraken.

b)

Huizen storten in, eventuele dijkdoorbraken.

c)

Scheuren in huizen, dijkdoorbraken

d)

Huizen storten in, dijkdoorbraken.

10.

Wat zijn de nadelen van het gebruik van fossiele brandstoffen?

a)

Het verhoogt het koolzuurgasniveau (CO2) in de lucht. Daardoor ontstaat het broeikaseffect. Hierdoor wordt het kouder op aarde en ontstaat klimaatverandering.

b)

Het verlaagt het koolzuurgasniveau (CO2) in de lucht. Daardoor ontstaat het broeikaseffect. Hierdoor wordt het kouder op aarde en ontstaat klimaatverandering.

c)

Het verlaagt het koolzuurgasniveau (CO2) in de lucht. Daardoor ontstaat het broeikaseffect. Hierdoor wordt het warmer op aarde en ontstaat klimaatverandering.

d)

Het verhoogt het koolzuurgasniveau (CO2) in de lucht. Daardoor ontstaat het broeikaseffect. Hierdoor wordt het warmer op aarde en ontstaat klimaatverandering.

11.

Wat zijn de gevolgen van de klimaatverandering?

a)

De temperatuur van het zeewater stijgt en warmt het zeewater op. Warm water zet uit en neemt meer ruimte in beslag en komt dus omhoog. Daardoor stijgt de zeespiegel.

b)

De temperatuur van het zeewater daalt en koelt het zeewater af. Dit water zet uit en neemt meer ruimte in beslag en komt dus omhoog. Daardoor stijgt de zeespiegel.

12.

Doordat landijs en gletsjers smelten, komen grote hoeveelheden smeltwater in zee terecht. Hierdoor ontstaat de zeespiegelstijging.

a)

goed

b)

fout

13.

Een gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen is klimaatverandering. Een ander gevolg is: De voorraad wordt steeds kleiner, dat komt doordat er geen nieuwe fossiele brandstoffen meer ontstaan.

a)

goed

b)

fout

14.

Duurzaam omgaan met fossiele brandstoffen betekent dat je zorgt dat je niet meer opmaakt dan dat er bij komt.

a)

goed

b)

fout

15.

Noem voorbeelden van energiebesparing

a)

isoleren, verwarming omlaag, minder douchen, duurzaam omgaan met fossiele brandstoffen, andere energiebronnen gebruiken.

b)

isoleren, verwarming omlaag, koud water gebruiken, duurzaam omgaan met fossiele brandstoffen, andere energiebronnen gebruiken.

c)

isoleren, verwarming uit, koud water gebruiken, duurzaam omgaan met fossiele brandstoffen, andere energiebronnen gebruiken.

d)

isoleren, minder gas gebruiken in huis, duurzaam omgaan met fossiele brandstoffen, andere energiebronnen gebruiken.

16.

Met wind kun je ook stroom opwekken, dat noemen we windenergie. wat klopt over windenergie?

a)

windmolens zijn prima, maar niet te dichtbij huizen

b)

windmolens mogen niet op zee worden gebouwd

c)

windmolens op zee zijn duur om te bouwen en te onderhouden

d)

windmolens zijn niet altijd betrouwbaar, er is niet altijd wind

e)

windmolens zorgen altijd voor energie

17.

Wat is waar over zonne-energie?

a)

Het neemt langzaam toe in Nederland

b)

Een deel van de elektriciteit wordt opgewekt door de zon

c)

zonnepanelen zorgen ervoor dat je geen andere stroom meer nodig hebt.

d)

zonne-energie is betrouwbaar, de zon is er altijd.

18.

In Nederland wordt de meeste duurzame energie opgewekt door het verbranden van .....

4 lines
19.

Wat is biomassa?

a)

Fossiele brandstoffen

b)

Duurzame energie

c)

Plantaardige producten

20.

Wat is het verschil tussen fossiele brandstoffen en biomassa?

a)

Biomassa kan makkelijk worden bijgemaakt, fossiele brandstoffen niet.

b)

Fossiele brandstoffen kunnen makkelijk worden bijgemaakt, biomassa niet.

21.

Boeren verbouwen mais, soja en andere gewassen om biomassa van te maken.

a)

goed

b)

fout

22.

Wat is het probleem met het verbouwen van biomassa?

a)

het neemt veel ruimte in

b)

het is slecht voor de CO2 uitstoot.

c)

het zorgt ervoor dat bomen worden gekapt

d)

het zorgt ervoor dat er op die plekken geen gewassen kunnen worden verbouwd om van te eten.

e)

Het is niet goed voor de dieren