wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3L-week kerst leerstof derdejaars

Total questions: 65

Worksheet time: 48mins

Name
Class
Date
1.

Hij (antwoorden) vandaag op de vraag

a)

antwoord

b)

antwoordt

2.

De zon (verblinden) gisteren de automobilist

a)

verblindde

b)

verblinde

3.

Yasmine heeft haar vriendin (plagen)

a)

geplaagt

b)

geplaagd

4.

Deze vrouw (houden) niet van katten

a)

houdt

b)

houd

5.

De (beantwoorden) vragen had ik allemaal goed

a)

beantwoorden

b)

beantwoorde

6.

De (uitputten) marathonloper viel meteen na de streep neer op een bankje.

a)

uitgepute

b)

uitgeputte

7.

Het (verbazen) me niets dat jij vorige week te laat kwam.

a)

verbaasde

b)

verbaast

8.

Ik hoop dat de nieuwe deadline ... (worden) ... (halen).

(a)  

9.

Wat mijn broer nu ... (opschrijven) is echt ... (gebeuren).

(a)  

10.

Gisteren ... (posten) Marjolein een selfie op Instagram, terwijl ze aan de keukentafel (relaxen).

(a)  

11.

De ... (slaan) beesten, ... (kermen, vt) van de pijn.

(a)  

12.

Vorige week ... (verwoesten) de ... (voorbijrazen) orkaan het huis en ... (worden) honderden mensen dakloos.

(a)  

13.

... (Huppelen) van blijdschap ... (komen, vt) mijn nichtje op me af.

(a)  

14.

Noteer het voltooid deelwoord.

In Nederland wordt vaker ........(pinnen).

a)

gepint

b)

gepind

15.

Gisteren heb ik de deur om tien uur.......(sluiten).

a)

gesluit

b)

gesluiten

c)

gesloot

d)

gesloten

16.

Ik was ............(raken) door die opmerking over mijn overleden hondje.

a)

geraakt

b)

gerakt

c)

geraken

d)

geraakd

17.

Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring .....(werpen).

a)

gewerpt

b)

gewerpen

c)

geworpen

d)

geworpt

18.

De docent had alle fouten .......(doorstrepen).

a)

gedoorstreept

b)

doorgestrepen

c)

doorgestreept

19.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
De paasvakantie staat voor de deur.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
20.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
De vader van Jonas staat voor de deur.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
21.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
De vader van Fatima is een boom van een vent.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
22.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
Tijdens de spreekbeurt staat Chaima plots met haar mond vol tanden.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
23.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
Hij laat zijn tanden zien aan de tandarts.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
24.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
Zij is het zonnetje in huis, want zij is echt de vrolijkste van het gezin.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
25.
Is dit letterlijk of figuurlijk bedoeld?
Er hangt een poster met een zon in het huis.
a)
letterlijk
b)
figuurlijk
26.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

27.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?

a)

maar

b)

tevens

c)

dan

d)

als

28.

Hoewel ik genoeg geld heb, koop ik die telefoon toch niet.

a)

Dit is een vergelijking

b)

Dit is een tegenstelling

29.

Welk tekstverband zie je hier?

Ik was op tijd wakker, maar toch miste ik de bus.

a)

voorbeeld

b)

tegenstelling

c)

opsomming

d)

conclusie

30.

Welk tekstverband zie je hier?

Vandaag heb ik wiskunde, Nederlands, techniek en gym.

a)

tegenstelling

b)

voorbeeld

c)

opsomming

d)

conclusie

31.

Welk tekstverband zie je hier?

Ik wil best naar je toe komen, maar ik heb geen zin om te fietsen.

a)

tegenstelling

b)

opsomming

c)

voorbeeld

d)

conclusie

32.

Welk tekstverband zie je hier?

Mijn beste vriendinnen zijn Iris, Desi en Astrid.

a)

tegenstelling

b)

opsomming

c)

voorbeeld

d)

conclusie

33.

Welk tekstverband zie je hier?

Voor de appeltaart heb je nodig: water, appels, meel, suiker en walnoten.

a)

voorbeeld

b)

tegenstelling

c)

opsomming

d)

conclusie

34.

Signaalwoorden die een opsomming aangeven:

a)

want, omdat, daarom, immers

b)

door, zodat, daardoor, doordat

c)

vergeleken met, net zo als

d)

en, ook, verder, daarnaast, bovendien

35.

Signaalwoorden die een tegenstelling aangeven:

a)

vroeger, later, toen, nu, eerst

b)

toch, hoewel, maar, echter

c)

en, ook, verder, ten eerste

d)

want, omdat, immers, daarom

36.

Ten eerste, ten tweede en ten slotte zijn signaalwoorden die passen bij een tegenstellend verband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

37.

Welk signaalwoord hoort bij een opsommend verband?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

38.

Welk signaalwoord hoort bij een tegenstellend verband?

a)

maar

b)

tevens

c)

dan

d)

als

39.
Wat is het tekstdoel?
Een recept voor appelcake.
a)
informeren
b)
instructies geven
c)
overtuigen
d)
activeren
40.
Wat is het tekstdoel?
Een artikel op Wikipedia over Antwerpen.
a)
informeren
b)
activeren
c)
instructies geven
d)
overtuigen
41.
Wat is het tekstdoel?
Een poster met verschillende argumenten waarom je beter water drinkt dan frisdrank.
a)
informeren
b)
overtuigen
c)
activeren
d)
amuseren
42.
Wat is het tekstdoel?
Een reclameadvertentie voor de nieuwste film van James Bond.
a)
activeren
b)
informeren
c)
instructies geven
d)
amuseren
43.

Welk plaatje heeft een instruerend tekstdoel

a)
b)
c)
d)
44.

Welk plaatje is een informerende tekst?

a)
b)
c)
d)
45.

Wat is het tekstdoel?

a)

overtuigen

b)

informeren

c)

overhalen

d)

amuseren

46.

Wat is het tekstdoel?

a)

informeren

b)

amuseren

c)

overhalen

d)

adviseren

47.

Wat is het tekstdoel?

a)

overhalen

b)

informeren

c)

amuseren

d)

instrueren

48.
Wat moet je als eerst doen als je een tekst leest?
a)
Naar plaatjes, bron, titel, inleiding en slot kijken. 
b)
De tekst lezen.
c)
Naar plaatjes, bron en titel kijken.
d)
Naar de vragen kijken. 
49.
Aan welke vijf kenmerken herken je het publiek van een tekst? 
a)
inhoud, taalgebruik, bron, lay-out, afbeeldingen 
b)
onderwerp, inhoud, toon, taalgebruik, bron 
c)
toon, bron, lengte, onderwerp, prijs
d)
lay-out, prijs, toon, uiterlijk, spelling 
50.
De Donald Duck is alleen voor kinderen bedoeld. 
a)
juist
b)
onjuist
51.
De Elsevier is een tijdschrift voor jongeren. 
a)
juist
b)
onjuist
52.
Wat is een kernzin? 
a)
De belangrijkste zin die in een alinea staat. 
b)
De belangrijkste zin die in een tekst staat. 
c)
Een zin waarmee je als lezer de hele tekst samenvat. 
d)
Een zin waarmee je als lezer de alinea samenvat. 
53.
Waar vind je de hoofdgedachte van een tekst? 
a)
Niet, die moet je zelf bedenken. 
b)
In de inleiding en in het slot. 
c)
Altijd in de laatste alinea. 
d)
Altijd in de eerste alinea. 
54.

Welk schrijfdoel heeft de tekst op het plaatje?

a)

amuseren

b)

overtuigen

c)

informeren

d)

overhalen

55.

Welk schrijfdoel heeft de tekst op het plaatje?

a)

adviseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

overhalen

56.
Een inleiding heeft twee functies. Welke horen daar niet bij? 
a)
aandacht trekken 
b)
onderwerp introduceren 
c)
samenvatting geven 
57.

Een enkelvoudige zin heeft ......

a)

twee persoonsvormen

b)

een persoonsvorm

c)

drie persoonsvormen

58.

Een samengestelde zin heeft ......

a)

een persoonsvorm.

b)

meer persoonsvormen.

59.

Samengestelde zinnen maak je door...

a)

van een zin een zin te maken met een voegwoord.

b)

van twee zinnen een zin te maken met een voegwoord.

60.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

61.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

62.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

63.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

64.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We gaan volgende week op vakantie, ........ oma die week geopereerd wordt.

a)

tenzij

b)

omdat

c)

zodra

d)

dus

65.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel