wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Afweer en bescherming

Total questions: 21

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

In een folder leest Jordy dat het niet goed is om je gezicht met zeep te wassen, omdat dan de laag talg wordt aangetast. Wat is de functie van talg?

a)

De huid schoon houden

b)

De huid soepel houden

c)

De huid verwarmen

d)

Zweet verdampen

2.

In de afbeelding zie je de huid van een donker persoon en de huid van een licht persoon. Met welke tekening wordt de huid aangegeven van de persoon die het meeste kans op huidkanker heeft?

a)

Tekening 1

b)

Tekening 2

c)

Ze hebben allebei net zo veel kans

d)

Geen van de twee tekeningen

3.

Bij ichthyosis is één laag van de huid verdikt. Hierdoor droogt de huid uit en ontstaan kloofjes. Op de huid zie je vervolgens dikke schilfers ontstaan, die op schubben lijken. Daarom wordt de ziekte ook wel visschubziekte genoemd.

In de afbeelding wordt deze verdikte huidlaag aangegeven met nummer 1. Hoe noem je deze laag die onderdeel is van de opperhuid?

a)

hoornlaag

b)

kiemlaag

c)

lederhuid

d)

opperhuid

4.

Hoe heet de laag van de huid waarin de huidzintuigjes zitten?

a)

hoornlaag

b)

kiemlaag

c)

lederhuid

d)

onderhuids bindweefsel

5.

Q-koorts

Tussen 2007 en 2011 kwam er in Nederand een Q-koorts epidemie voor. Q-koorts is een infectieziekte die wordt overgedragen van schapen en geiten naar mensen. De meeste mensen lopen Q-koorts op door het inademen van lucht waar de bacterie in zit. Dit gebeurt vooral in het voorjaar wanneer de lammetjes worden geboren.

Niet alle besmette mensen krijgen Q-koorts. De mensen die wel ziek worden krijgen eerst griepachtige verschijnselen. Daarna kunnen zich ernstige klachten ontwikkelen zoals hoge koorts, longontsteking met pijn op de borst en zelfs leverontsteking. Er zijn tussen 2007 en 2011 een aantal mensen aan deze ziekte overleden.

Wanneer iemand ziek wordt gebeurt dit meestal 2 tot 6 weken na de besmetting.

In Nederland is er alleen een vaccin voor dieren beschikbaar.


Een deel van de mensen die voor de eerste keer besmet zijn met de Q-koorts bacterie wordt niet ziek. Wat is hiervan de reden?

a)

Ze hebben een goede weerstand

b)

Ze blijven weg van schapen en geiten

c)

Ze hebben al antistoffen in hun bloed

d)

Ze drinken veel geitenmelk

6.

Q-koorts

Tussen 2007 en 2011 kwam er in Nederand een Q-koorts epidemie voor. Q-koorts is een infectieziekte die wordt overgedragen van schapen en geiten naar mensen. De meeste mensen lopen Q-koorts op door het inademen van lucht waar de bacterie in zit. Dit gebeurt vooral in het voorjaar wanneer de lammetjes worden geboren.

Niet alle besmette mensen krijgen Q-koorts. De mensen die wel ziek worden krijgen eerst griepachtige verschijnselen. Daarna kunnen zich ernstige klachten ontwikkelen zoals hoge koorts, longontsteking met pijn op de borst en zelfs leverontsteking. Er zijn tussen 2007 en 2011 een aantal mensen aan deze ziekte overleden.

Wanneer iemand ziek wordt gebeurt dit meestal 2 tot 6 weken na de besmetting.

In Nederland is er alleen een vaccin voor dieren beschikbaar.


Hoe herkent je lichaam de ziekteverwekkers die zijn binnengedrongen en de Q-koorts veroorzaken?

a)

De witte bloedcellen herkennen de vorm van de bacterie

b)

De witte bloedcellen reageren op de antigenen van de bacterie

c)

De rode bloedcellen reageren op de antigenen van de bacterie

d)

Zintuigen in de bloedvaten herkennen de afvalstoffen van de bacterie.

7.

Hoeveel vaccinaties (intentingen) krijgt een kind dat 4 maanden oud is?

a)

4

b)

5

c)

6

d)

7

8.

Wat zit er in de prik bij een vaccin?

a)

antistoffen

b)

levende ziekteverwekkers

c)

verzwakte ziekteverwekkers

d)

witte bloedcellen (type geheugencellen)

9.

Hoeveel inentingen heb je nodig om volledig tegen difterie beschermd te zijn?

a)

4

b)

6

c)

5

d)

8

10.

Witte bloedcellen kunnen ziekteverwekkers bestrijden. Dat kan op twee verschillende manieren. Noem ze allebei.

a)

Ziekteverwekkers worden ingesloten en verteerd

b)

Ziekteverwekkers worden herkend en er worden antistoffen tegen gemaakt

c)

Ziekteverwekkers worden herkend en er worden antigenen tegen gemaakt

d)

Ziekteverwekkers worden herkend en via de nieren uitgescheiden

11.

Sommige ziektes, bijvoorbeeld de kinderziekte waterpokken, krijg je maar één keer in je leven. Hoe kan dit?

a)

De antistoffen blijven in je bloed aanwezig

b)

De geheugencellen onthouden welke antistoffen er gemaakt moeten worden

c)

Je cellen zijn ondoordringbaar geworden voor de ziekteverwekker

d)

Je lichaam is gewend geraakt aan de ziekteverwekker en reageert er niet meer op

12.

Wat is het verschil tussen een vaccin en een serum?

a)

Een vaccin bevat antistoffen en een serum niet

b)

Een vaccin wordt ingespoten na besmetting

c)

Een serum bevat antistoffen en een vaccin niet

d)

Een serum bevat verzwakte ziekteverwekkers en een vaccin niet

13.

Waar of niet waar?

Een ongeboren baby wordt beschermd door antistoffen van de moeder. Dit heet actieve immunisatie.

a)

waar

b)

niet waar

14.

Waar of niet waar?

Bij een infectie met het wrattenvirus delen de cellen van de kiemlaag extra snel.

a)

waar

b)

niet waar

15.

Waar of niet waar?

De tijd tussen een besmetting en de eerste symptomen van een ziekte noem je incubatietijd.

a)

waar

b)

niet waar

16.

Een jonge moeder met bloedgroep A- heeft een kind gekregen waarvan de bloedgroep O+ blijkt te zijn. Het kind is helemaal gezond. Twee jaar later krijgt deze moeder haar tweede kind. Hiervan is de bloedgroep O-. Heeft dit tweede kind kans op resusziekte?

a)

Ja, want de moeder is Rh-.

b)

Ja, want de moeder heeft bloedgroep A en het tweede kind bloedgroep O.

c)

Nee, want het tweede kind heeft geen resusantigenen.

d)

Nee, want het eerste kind was gezond.

17.

Hoe kun je het beste een allergie minder hinderlijk maken?

a)

met antibiotica

b)

met anti-histaminica

c)

met actieve immunisatie

d)

met passieve immunisatie

18.

Bloed

Op de eerste hulp van het ziekenhuis wordt een patiënt binnengebracht die bij een ongeluk veel bloed verloren heeft. Hij wordt onderzocht en de dokter besluit dat deze patiënt met spoed een bloedtransfusie moet krijgen.


Welk bloedonderdeel krijg hij in ieder geval toegediend?

a)

Bloedplaatjes

b)

Bloedplasma

c)

Rode bloedcellen

d)

Witte bloedcellen

19.

Van de patiënt moet eerst de bloedgroep worden bepaald. Hiervoor wordt eerst bloed geprikt en hiervan worden drie druppels bloed op een glaasje gelegd. Aan druppel 1 wordt anti-A, aan druppel 2 wordt anti-B en aan druppel 3 wordt anti-Rh toegevoegd. Wat is de bloedgroep van deze patiënt?

a)

A+

b)

B-

c)

A-

d)

B+

20.

Annelon komt bij de dokter met de volgende klachten: jeuk en een branderig gevoel bij haar schaamlippen.

De dokter ontdekt na bloed- en microscopisch onderzoek dat Annelon candida heeft.


Waardoor wordt candida veroorzaakt?

a)

bacterie

b)

insect

c)

schimmel

d)

virus

21.

Een soa-test kan worden gedaan om te bepalen of iemand seropositief is.

Wanneer noem je iemand seropositief?

a)

Tijdens de incubatietijd van het hiv-virus, na besmetting.

b)

Als deze persoon na onveilige seks de symptomen van aids heeft.

c)

Als het afweersysteem van iemand niet meer werkt, door het hiv-virus.

d)

Wanneer de witte bloedcellen stuk zijn.