wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 7 dec 2020

Total questions: 16

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Vader bezit 100% in actieve BV. De waarde is € 10 mio. Hij verkoopt de aandelen voor € 1,7 mio. Waarover wordt de vrijstelling berekend?

a)

De vrijstelling is niet van toepassing omdat de aandelen worden verkocht en niet geschonken

b)

De vrijstelling wordt berekend over € 8,3 mio

c)

De vrijstelling wordt berekend over € 10 mio

d)

De vrijstelling wordt berekend over € 1,7 mio

2.

Vader heeft 10% van de aandelen in een actieve BV. Kind heeft 4% van de aandelen in deze BV. Het kind overlijdt. Zijn de faciliteiten van toepassing?

a)

Ja

b)

Nee

3.

Vul in:

Bij een zogenoemde schenking onderlangs kan de doorschuifregeling _____ worden toegepast en de bor _____

a)

Wel ook

b)

Wel niet

c)

Niet ook niet

d)

Niet wel

4.

Pa heeft 100% in BV die bedrijfspand verhuurt aan de werkmaatschappij van zoon. De BV van vader heeft 1 aandeel zonder stemrecht in deze BV. Vader overlijdt. BOR van toepassing?

a)

Ja, want vader heeft indirect een soort AB, zodat de toerekeningsregeling geldt en de BV van vader een onderneming drijft

b)

Nee, want de BV van vader drijft geen onderneming. De toerekeningsregel is weliswaar van toepassing, maar het toegerekende vermogen is zo gering (1%) dat de BV nog steeds geen onderneming drijft

c)

Nee, want het enkel verhuren van vastgoed is geen onderneming.

d)

Nee, want de BV van vader drijft geen onderneming en de toerekeningsregel is niet van toepassing omdat vader indirect geen AB heeft

5.

Man en vrouw zijn gehuwd en hebben een kind. In de huwelijkse voorwaarden hebben ze een finaal verrekenbeding opgenomen. Vrouw is enig aandeelhouder van X BV waarin een actieve onderneming wordt gedreven, de waarde is € 5 mio, vp 0. De man overlijdt zonder testament. Wat zijn de gevolgen?

a)

De vrouw verkrijgt een vordering uit hoofde van het verrekenbeding. Omdat dit geen ondernemingsvermogen is, kan de BOR niet worden toegepast

b)

De vrouw verkrijgt een vordering uit hoofde van het verrekenbeding. De staatssecretaris keurt goed dat daarop de BOR-faciliteiten van toepassing zijn zodat per saldo geen erfbelasting is verschuldigd.

c)

De vrouw kan de BOR-faciliteiten toepassen op haar verkrijging ad € 1.250.000. Het kind is erfbelasting verschuldigd over € 1.250.000

d)

De vrouw kan de BOR-faciliteiten toepassen over € 2.500.000. Het kind is erfbelasting verschuldigd over € 1.250.000

6.

X en Y zijn getrouwd. Zij hebben ieder 50% in Holding. Holding heeft 5% in Werk BV. X overlijdt en kind A erft de aandelen. Wat is juist?

a)

De doorschuifregeling en de bor zijn van toepassing, want X heeft een indirect ab

b)

De doorschuifregeling en de bor zijn niet van toepassing, want X heeft geen indirect ab

c)

De doorschuifregeling is wel van toepassing, maar de bor niet omdat het kind geen indirect ab heeft

d)

De doorschuifregeling en de bor zijn niet van toepassing omdat het kind geen indirect ab heeft

7.

De 5%-marge voor beleggingsvermogen moet worden toegepast op de omvang van het __________

a)

Ondernemingsvermogen

b)

Beleggingsvermogen

c)

Totale vermogen van de BV

d)

Totale vermogen van de BV minus de rekening-courantvordering op de dga

8.

Om voor de BOR in aanmerking te komen, mag de schenker of erflater noch zijn opvolger de aandelen ter belegging houden

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Broer 1 overlijdt. Als gevolg daarvan valt de pensioenverplichting vrij en stijgen de aandelen in Pensioen in waarde. Broer 2 wordt belast voor de helft van de vrijval van de pensioenvoorziening op grond van art. 13a SW 1956. Dit wordt een fictieve erfrechtelijke verkrijging genoemd. Kan daarop de bor worden toegepast?

a)

Ja, de faciliteiten zijn ook van toepassing op fictieve verkrijgingen

b)

Nee, want de faciliteiten zijn niet van toepassing op fictieve verkrijgingen

c)

Ja, want de broer wordt geacht de aandelen krachtens erfrecht te hebben verkregen

d)

Nee, want het vermogen dat fictief wordt verkregen is al van de verkrijger

10.

Waarover kan de bor op grond van de letterlijke tekst van de wet worden toegepast?

a)

Ondernemingsvermogen dat kwalificeert bedraagt € 1.800.000

b)

Ondernemingsvermogen dat kwalificeert bedraagt € 1.200.000

c)

Ondernemingsvermogen dat kwalificeert bedraagt € 1.000.000

d)

Ondernemingsvermogen dat kwalificeert bedraagt € 800.000

11.

Stelling 1

Indien de schenker de onderneming zelf met toepassing van de bor heeft verkregen, hoeft hij niet te voldoen aan de bezitseis van vijf jaar

Stelling 2

Indien de aandelen tot een algehele huwelijksgoederengemeenschap gaan behoren loopt de bezitstermijn door

a)

Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist

b)

Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist

c)

Beide stellingen zijn onjuist

d)

Beide stellingen zijn juist

12.

In het zogenoemde deelnemingenarrest van 29 mei 2020 heeft de Hoge Raad beslist dat de bezitstermijn bij een abhouder moet worden toegepast op:

a)

Zijn direct gehouden aandelen en op één van de objectieve ondernemingen die het lichaam - na toerekening - drijft

b)

Zijn direct gehouden aandelen, zijn indirect gehouden aandelen en op iedere objectieve onderneming die het lichaam - na toerekening - drijft

c)

Zijn direct gehouden aandelen en op iedere objectieve onderneming die het lichaam - na toerekening - drijft

d)

Zijn direct gehouden aandelen en op iedere objectieve onderneming die het lichaam - na toerekening - drijft en op zelfstandige delen daarvan

13.

De bezitstermijn van direct en indirect gehouden aandelen in dezelfde werkmaatschappij mogen altijd bij elkaar worden geteld, mits de abhouder zijn rechtstreeks gehouden aandelen ruilt tegen de aandelen in de holding.

a)

Niet waar

b)

Waar

14.

Een zoon heeft met toepassing van de bor aandelen geschonken gekregen. Na drie jaar wil een derde participeren voor 40%. Wat is juist?

a)

De Holding kan 40% van zijn aandelen verkopen aan de derde. Nu dit op indirect niveau plaatsvindt is er geen sprake van een vervreemding bij de zoon. Geen probleem voor art. 35e SW

b)

De Holding kan 40% van zijn aandelen in de werkmij omzetten in preferente aandelen en 40% gewone aandelen uitreiken aan de derde. Geen vervreemding en dus geen probleem voor art. 35e SW

c)

De derde kan een VOF aangaan met de werkmij. Aangezien de objectieve onderneming niet verandert, geen probleem voor art. 35e SW 1956

d)

Bovengenoemde antwoorden zijn onjuist

15.

Stelling 1

Een faillissement en staking als gevolg van de Coronacrisis heeft geen gevolgen voor de BOR

Stelling 2

In de voortzettingsperiode kunnen de verkregen aandelen zonder problemen voor de BOR worden omgezet in prefs

a)

Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist

b)

Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist

c)

Beide stellingen zijn onjuist

d)

Beide stellingen zijn juist

16.

Stelling 1

Een verhuurde onderneming vormt kwalificerend ondernemingsvermogen voor de BOR

Stelling 2

De voortzetter kan zonder problemen de onderneming in de voortzettingsperiode gaan verhuren

a)

Beide stellingen zijn juist, want sprake van voortgezet ondernemerschap

b)

Beide stellingen zijn onjuist, want voortgezet ondernemerschap vererft niet

c)

We hebben geen idee, want de rechtspraak is wisselend

d)

Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist