wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De Griekse stadstaten

Total questions: 51

Worksheet time: 51mins

Name
Class
Date
1.

Democratie

a)

regeringsvorm waarbij de macht bij het volk ligt.

b)

Een vorm van mensen tellen die mogen stemmen

c)

regeringsvorm waarbij alleen mannen mogen stemmen

d)

regeringsvorm waarbij de macht bij de rijke mensen ligt.

2.

Een Polis is:

a)

Een stuk land

b)

Een stad met omliggend gebied dat een eigen bestuur heeft

c)

steden in de bergen

d)

een persoon die alle macht heeft

3.

wat gebeurt er bij volksvergadering

a)

vrouwen en mannen uit stadstaten mogen meebeslissen in de politiek

b)

Het hele volk vergadert

c)

Alleen de rijke mensen mogen meebeslissen in de politiek

d)

mannen uit de stadstaten meebeslissen in de politiek.

4.

Aristocratie

a)

Regeringsvorm waarbij de politieke macht bij het volk ligt.

b)

Regeringsvorm waarbij de politieke macht in handen is van enkele rijke adellijke families.

c)

Een heel rijk persoon.

d)

Een periode waarin veel rijke mensen leefden

5.

Wat is kolonisatie?

a)

Mensen die andere mensen eten.

b)

Mensen die in een ander gebied gaan wonen, wat nog niet van hen is.

c)

Oorlogen tussen verschillende bevolkingsgroepen om een stuk land

d)

Alleenheersers

6.

Wat is een mythe?

a)

Een verhaal waarin goden en helden centraal staan.

b)

Een verhaal over oorlogen

c)

Verhalen over enge wezens

d)

Verhalen over romantische veroveringen

7.

Welke 2 antwoorden zijn kenmerken van de Atheense democratie?

a)

raad van 50

b)

2 koningen die bepalen

c)

vrouwen mogen ook stemmen

d)

alleen rijke mannen mogen stemmen.

8.

Welke 2 poleis concurreerden altijd met elkaar?

a)

Griekenland en Egypte

b)

Athene en Sparta

c)

Sparta en Corfeanen

d)

Grieken en Romeinen

9.

Wat wordt op het plaatje afgebeeld?

a)

Het Griekse sporten

b)

gevecht tussen de grieken en de spartanen

c)

Het spartaanse sporten

d)

de sporten van de olympische spelen.

10.

Wat is waar over Griekse goden?

a)

Ze zagen eruit als mensen

b)

Het waren mythische wezens

c)

Ze werden geëerd in tempels

d)

Zij hadden speciale krachten

11.
Zeus was de ....
a)
God van de zee
b)
God van de onderwereld
c)
God van de zon
d)
God van de hemel
12.
Waarin verschillen Griekse beelden van Egyptische beelden?
a)
De Egyptische beelden waren mooier afgewerkt en de Griekse niet
b)
De Griekse beelden zagen er levensecht uit en de Egyptische niet
c)
De Egyptische beelden waren in evenwicht en daarom goddelijk. De Griekse niet
d)
Er zijn geen verschillen tussen de Egyptische en Griekse beelden
13.
Alles wat door een samenleving wordt gemaakt en bedacht, noem we een ...
a)
Religie
b)
Wetenschap
c)
Cultuur
d)
Filosofie
14.
Het verzamelen van kennis door een verschijnsel nauwkeurig te bestuderen, is....
a)
Cultuur
b)
Wetenschap
c)
Filosofie
d)
Religie
15.

Een polis is een stadstaat

a)

Goed

b)

Fout

16.

De Grieken stichtten ook poleis in Turkije en op Cyprus

a)

Goed

b)

Fout

17.

De Grieken besloten tot kolonisatie vanwege het gebrek aan voedsel in Griekenland zelf.

a)

Goed

b)

Fout

18.

Het centrale plein in een polis noemen we agora.

a)

Goed

b)

Fout

19.

De Tijd van Grieken en Romeinen duurt van

a)

5000 v. Chr. tot 500 n. Chr.

b)

500 tot 1000

c)

3000 v. Chr. tot 500 n. Chr.

d)

1600 tot 1700

20.

Door geografische omstandigheden konden de Grieken lastig met elkaar communiceren en ontstonden er stadstaten. Welke 2 antwoorden horen hierbij?

a)

Er waren veel rivieren.

b)

Er waren veel eilanden.

c)

Het land was erg bergachtig.

d)

Het land was een woestijn.

21.

Bij een monarchie

a)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

b)

zijn meerdere personen samen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

22.

Bij een aristocratie

a)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

b)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

23.

Bij een tirannie

a)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

b)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

24.

Bij een democratie

a)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

b)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

c)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

d)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

25.

In Athene mocht je meebeslissen als je burgerrecht had. Wie hadden dat?

a)

Vreemdelingen

b)

Vrouwen

c)

Kinderen onder de 18

d)

Mannen

26.
Grieken waren politiek een eenheid.
a)
Juist
b)
Onjuist
27.
Slaven waren de laagste bevolkingsgroep in Athene
a)
Juist
b)
Onjuist
28.
Wat is nijverheid?
a)
Is dat boeren hun producten naar de handelssteden brachten.
b)
Is dat mensen met grondstoffen een product maken.
c)
Is dat men nieuwe producten ontwikkeld
29.

Op welk vlak vormen de Griekse stadstaten een geheel?

a)

Bestuur

b)

Leger

c)

Cultuur

d)

Handel

30.

Dit waren de saaiste uren uit mijn leven!

a)

Feit

b)

Mening

31.

Die film duurt 160 minuten.

a)

Feit

b)

Mening

32.
Goed of fout?
1. Tempels horen bij de Griekse cultuur.
2. In de Griekse bouwkunst maakten de Grieken gebruik van kennis die door de geleerden was gevonden. 
a)
Beide zijn goed
b)
1 is goed, 2 is fout
c)
1 is fout, 2 is goed
d)
Beide zijn fout
33.
Wat was de belangrijkste reden waarom de Grieken kolonies gingen stichten. 
a)
Er woonden te veel mensen in Griekenland. Ze zochten een rustige plek
b)
De Grieken hadden last van piraterij 
c)
Er werd te weinig voedsel verbouwd
d)
De grond was onvruchtbaar 
34.
Goden en helden. De beginregels van de Odyssee. 
O Muze, bezing mij de listige held, die lang over de wijde wereld zwierf, nadat hij de machtige burcht van Troje had verwoest. Van veel mensen zag hij de steden en leerde hij hun aard kennen. Veel ellende doorstond hij op zee, vechtend voor zijn leven en de terugkeer van zijn vrienden. Vertel, o goddelijke dochter van Zeus, ook ons dit verhaal en gein het waarheen u goeddunkt. 
Lees de tekst. Dit is een goed voorbeeld van een.....
a)
middeleeuws verhaal
b)
mythe
c)
historische gebeurtenis 
d)
spannend modern verhaal 
35.

Nederland is een:

a)

Tirannie

b)

Democratie

c)

Monarchie

d)

Aristocratie

36.

De Atheense democratie mochten de gehele bevolking stemmen

a)

Juist

b)

Onjuist

37.

Op de afbeelding zie je

a)

de Akropolis

b)

De Agora

c)

Een kolonie

38.

Op de afbeelding zie je

a)

De akropolis

b)

De agora

c)

De Griekse kolonies

39.

Op de afbeelding zie je

a)

De Akropolis

b)

De Agora

c)

De Griekse Kolonies

40.

Gaat de zin over een oorzaak of een gevolg van de kolonisatie?

De Grieken werden beïnvloed door andere volken.

(a)  

41.

Gaat de zin over een oorzaak of een gevolg van de kolonisatie?

De Griekse boeren konden onvoldoende voedsel produceren.

(a)  

42.

Marcipuer was als krijgsgevangene naar Athene gekomen en werkte daarna in de zilvermijnen

bij welke sociale groep uit de Atheense democratie behoort Marcipuer?

(a)  

43.

Welke zinnen zijn juist?

a)

De Griekse stadstaten waren politiek zelfstandig.

b)

Er waren alleen maar slechte tirannen in het oude Griekenland.

c)

Grieken discussieerden veel over politiek.

d)

In een aristocratie bedenkt de koning alle wetten.

44.

Aan welke kenmerken kan je zien dat het om een Griekse tempel gaat?

(a)  

45.

Wat hoort niet bij Griekse filosofen

a)

Goden zijn net mensen

b)

De natuur proberen te verklaren

c)

Rationeel denken

d)

De zieken proberen te helen

46.

Welke van de volgende stellingen is juist?


1: In een aristocratie had een klein groepje filosofen de macht

2: In de Atheense democratie mochten de mannen met stemrecht de bestuurders kiezen

a)

Alleen stelling 1 is juist

b)

Alleen stelling 2 is juist

c)

Beide stellingen zijn juist

d)

Beide stellingen zijn onjuist

47.

De gezamenlijke vijand van de Griekse stadsstaatjes waren heel lang

a)

de Romeinen

b)

de Egyptenaren

c)

de Perzen

d)

de Arabieren

48.

Als de grote verspreider van de Griekse cultuur naar het Midden-Oosten zouden we moeten aanwijzen:

a)

Socrates

b)

Aristoteles

c)

Alexander de Grote

d)

Herodotus

49.
Wat is de naam van het afgebeelde tijdvak?
a)
jagers en boeren
b)
pruiken en revoluties
c)
televisies en computers
d)
Grieken en Romeinen
50.

Welk begrip zoeken we? Zelfstandige staten met eigen wetten en afspraken.

(a)  

51.

3 antw. goed. Welke kenmerken horen bij de Tijd van Grieken en Romeinen?

a)

Het ontstaan van de Griekse cultuur

b)

De verspreiding van de Grieks-Romeinse cultuur door het Romeinse rijk

c)

Ontstaan en verspreiding van het Christendom

d)

Ontstaan en verspreiding van de Islam