wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 3 Water

Total questions: 21

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Welke omschrijving is waar? Kies er 1

a)

De waterkringloop kan niet overal op aarde plaats vinden

b)

Door het smelten van het ijs op de Noordpool zal er meer water zijn voor in de waterkringloop

c)

De korte kringloop vervoert minder water dan de lange kringloop

d)

De hoeveelheid water binnen de kringloop blijft altijd gelijk

2.

Veel zoet water zit vast in...

(a)  

3.

Juist of niet juist? Er is meer water aanwezig in de vorm van ijs dan in vloeibare vorm

a)

Juist

b)

Niet juist

4.

Een waterbalans is een overzicht waarop...

a)

Je kunt zien hoeveel water er wordt verspild gemiddeld

b)

Je kunt zien hoeveel water een gebied binnenkomt en hoeveel eruit gaat

c)

Je kunt zien welke landen watertekort hebben

5.

Op welke drie manieren kan een gebied aan water komen

a)

Nuttige neerslag

b)

Water vanuit andere gebieden

c)

Water uit andere tijdvlakken

d)

Infiltratie

6.

Het tegenovergestelde van grondwater is..

a)

Infiltratie

b)

Oppervlaktewater

c)

Aquifer

d)

Fossielwater

7.

Water uit eerdere tijdvlakken noem je..

a)

Grondwater

b)

Aquifer

c)

Fossiel water

d)

Archaïsch water

8.

NAP staat voor..

a)

Nominaal Amsterdams Peil

b)

Normaal Amsterdams Peil

c)

Nationaal Amsterdams Peil

d)

Negatief Amsterdams Peil

9.

Welke gebieden lopen een overstromingsrisico op, dat is veroorzaakt door de mens

a)

Gebieden met landbouw

b)

Gebieden met stroomopwaarts ontbossing

c)

Gebieden met te kort aan aquifers

d)

Gebieden met dijken

10.

Welke beschrijving hoort bij de volgende begrip:

Zelfreinigend vermogen

a)

Kunstmest

b)

Bacteriën en zuurstof

c)

Infiltreren grondwater

d)

Zuurstof armer

11.

Welke stelling is juist?


I Gebieden met veel neerslag hebben nooit een tekort aan zoet water.

II Gebieden met weinig neerslag kunnen toch over voldoende zoet water beschikken.

a)

I is juist, II is onjuist.

b)

I is onjuist, II is juist.

c)

C Beide zijn juist.

d)

Beide zijn onjuist.

12.

Wanneer er sprake is van te weinig waterleidingen en pompen binnen een gebied spreken we over..

a)

Fysiek watertekort

b)

Economisch watertekort

13.

Welke van de volgende begrippen is niet-vernieuwbaar water

a)

Neerslag

b)

Grondwater

c)

Fossiel water

d)

Oppervlakte water

14.

Wanneer we uit elke druppel zo veel mogelijk plantengroei proberen te halen spreken we over (a)  

15.

Wat zie je op het volgende plaatje?

(a)  

16.

Waar of niet waar?

Als een dijkring doorbreekt, zal de helft van Nederland overstromen

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Waarom ontstaan er op sommige plaatsen aan de rivier flessenhalzen?

a)

Door plantengroei

b)

Door dijkdoorbraken

c)

Door slib van de rivieren

d)

Door stedelijke bebouwing

18.

Beregening is..

a)

wateraanvoer via kanaaltjes of sloten

b)

wateraanvoer via geperforeerde buis vlak onder de grond

c)

wateraanvoer via een buizenstelsel met sproeiers

19.

Welke van de volgende begrippen behoort tot het aanvoer van water binnen een gebied

a)

Neerslag

b)

Rivierwater

c)

Verdamping

d)

Fossiel water

e)

Uitstroom in de zee

20.

Een getijdenlanschap is een landschap onder invloed van...

a)

De aan en afvoer van water

b)

Eb en vloed

c)

Zandsuppleties

21.

Juist of onjuist:

Buitendijks land is een gebied langs de rivier dat niet beschermd wordt door dijken.

a)

Juist

b)

Onjuist