wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kerst Biologie quiz nog niet af !

Total questions: 22

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

De neuskleur bij rendieren wordt veroorzaakt door een autosomaal gen. Zwarte neuskleur is dominant over rode neuskleur.

De ouders van Rudolf hebben allebei een zwarte neus. Wat is hun genotype?

a)

Beide Aa

b)

Beide aa

c)

Beide AA

d)

AA en Aa

e)

AA en aa

2.

Kijk naar de tak van deze kerstboom. De naalden zijn niet allemaal even lang.

Is bij een korte naald het fenotype anders dan bij een lange naald? En het genotype?

a)

Alleen het genotype is anders

b)

Alleen het fenotype is anders

c)

Genotype en fenotype zijn gelijk

d)

Zowel genotype als fenotype zijn anders

3.

Drie cellen in het lichaam van de kerstman worden met elkaar vergeleken: een spermacel, een spiercel en een zenuwcel.

In welke van deze cellen kan het Y-chromosoom ontbreken?

a)

in geen van deze cellen

b)

alleen in de spermacel

c)

alleen in de zenuwcel

d)

in de spiercel en zenuwcel

4.

Voor het maken van kerstbrood zijn gistcellen nodig. Gistcellen behoren tot het rijk van de schimmels.

In die gistcellen vinden verschillende processen plaats.

Vinden in de gistcellen alleen assimilatieprocessen, alleen dissimilatieprocessen of beide typen processen plaats?

a)

alleen assimilatie

b)

alleen dissimilatie

c)

zowel assimilatie als dissimilatie

5.

Hieronder staan voorbeelden van processen die plaatsvinden in cellen van een kerstboom:


1 vorming van glucose uit koolstofdioxide en water

2 opbouw van aminozuren uit glucose

3 vorming van melkzuur uit glucose

4 vorming van glycogeen uit glucose


Welk of bij welke van deze processen is een voorbeeld van voortgezette assimilatie?

a)

alleen proces 1

b)

alleen proces 4

c)

alleen proces 1 en 4

d)

alleen proces 2 en 4

6.

Een brandende kaars dooft snel als er een glazen stolp overheen wordt geplaatst.

Bij een experiment wordt naast een (nog niet brandende) kaars een plant onder een stolp geplaatst. Het geheel wordt

24 uur in het licht geplaatst, waarna de kaars wordt aangestoken. Uit het experiment blijkt dat de kaars onder de stolp met de plant langer blijft branden dan zonder de plant.

Hieruit kunnen we afleiden dat tijdens de fotosynthese:

a)

zuurstof wordt geproduceerd

b)

koolstofdioxide wordt verbruikt

c)

glucose worden geproduceerd

d)

water wordt verbruikt

7.

Wat is een voorbeeld van een populatie?

a)

Alle rendieren op de Noordpool

b)

De beplanting in een naaldbos

c)

Alle organismen in de Noordelijke IJzee

d)

Een ijsbeer met haar 2 jongen op de Noordpool

8.

Een wetenschapper doet onderzoek naar de ontwikkeling van planten. Hij kijkt daarbij of een plant beter groeit als er meer water wordt gegeven.

Welk van onderstaande voorbeelden is het beste voorbeeld van een onderzoeksvraag bij dit onderzoek?

a)

Groeit een plant beter bij meer water?

b)

In welke mate is water een beperkende factor voor de ontwikkeling van planten?

c)

Planten hebben water nodig voor de groei. Wat is het effect van watertekort?

d)

Hoeveel water is nodig voor de ontwikkeling van planten?

9.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

10.

De afbeelding geeft de doorsnede van een bloedvat uit het been van een mens weer.


Is dit een beenader of beenslagader?

Vervoert dit bloedvat zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?

a)

beenader / zuurstofarm

b)

beenslagader / zuurstofarm

c)

beenader / zuurstofrijk

d)

beenslagader / zuurstofrijk

11.

Een via de leverader afgevoerd molecuul koolstofdioxide wordt bij de mens door een long uitgescheiden.


Door welke bloedvaten gaat dit molecuul in ieder geval?

a)

door een holle ader en een longslagader

b)

door een holle ader en een longader

c)

door een longslagader en de aorta

d)

door een longslagader en een longader

12.

Bij de spijsvertering van de mens wordt zetmeel omgezet in maltose.

Welk enzym is hierbij betrokken? Door welke klier wordt dit enzym geproduceerd?

a)

lipase ; alvleesklier

b)

amylase ; alvleesklier

c)

peptase ; maagsapklieren

d)

amylase ; speekselklieren

13.

Priscilla en Berdien hebben gisterenavond een gezellig feestje gehad. Ze hebben een paar alcoholische drankjes op.

Nu hebben ze een kater.

Ethanol (alcohol) wordt gedeeltelijk in het bloed opgenomen in de mond en in de maag. De rest gaat komt via de dunne darm in het bloed.

Waar in het lichaam wordt ethanol afgebroken?

a)

In de mond en in de maag

b)

in de lever

c)

in het bloed

d)

in de hersenen

14.

Wat zorgt voor vernauwing/dichtslibben van de bloedvaten?

a)

te veel LDL

b)

voldoende HDL

c)

te weinig LDL

d)

te veel HDL

15.

Wat is GEEN functie van water in het lichaam?

a)

regeling van lichaamstemperatuur

b)

transportmiddel

c)

bepalen van de osmotische waarde van vloeistoffen in het lichaam

d)

bouwstof voor lichaamscellen

e)

nodig voor aerobe dissimilatie

16.

In welk deel van de bloedsomloop zal de glucose concentratie onder normale omstandigheden het hoogst zijn?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

poortader

d)

darmader

17.

Wat is het eerstvolgende onderdeel van de bloedsomloop waar het bloed doorheen stroomt na de rechterkamer?

a)

longslagader

b)

rechterboezem

c)

longader

d)

aorta

18.

Wat is het eerstvolgende onderdeel van de bloedsomloop waar het bloed doorheen stroomt na de linkerkamer?

a)

longslagader

b)

rechterboezem

c)

longader

d)

aorta

19.

Wat is het eerstvolgende onderdeel van de bloedsomloop waar het bloed doorheen stroomt na de nierhaarvaten?

a)

nierader

b)

nierslagader

c)

holle ader

d)

poortader

20.

Wat is het eerstvolgende onderdeel van de bloedsomloop waar het bloed doorheen stroomt na de poortader?

a)

leverhaarvaten

b)

leverslagader

c)

holle ader

d)

leverader

21.

Geef de 1 lettercode van de aminozuren van het stukje eiwit dat wordt gevormd van dit stuk RNA:

(a)  

22.

Los de rebus op: wat hoort hier bij?

a)

eiwit

b)

glucose

c)

mineraal

d)

vitamine