wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 Schatkist Aarde §2.1 + §2.2

Total questions: 11

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn de juiste zinnen?

a)

1 Bij het ontstaan bestond de aarde uit de aardkern, de aardmantel en de aardkorst.

b)

2 Bij het ontstaan van de aarde was er geen leven, omdat alles gloeiend heet en gesmolten was.

c)

3 De geologische tijdschaal kent drie hoofdperioden, die alle drie weer onderverdeeld worden.

d)

4 De oudste periode van de geologische geschiedenis is het Precambrium.

2.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?


Aan het einde van een aantal geologische perioden, stierf een groot deel van het leven op aarde uit.

a)

Fossiel

b)

Kenozoicum

c)

Massa-extinctie

d)

Mesozoicum

e)

Sedimentgesteente

3.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?


Gesteente dat gevormd werd door afkoeling van magma.

a)

Fossiel

b)

Kenozoicum

c)

Mesozoicum

d)

Sedimentgesteente

e)

Stollingsgesteente

4.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving?


Tijdvak in de geologische geschiedenis dat duurde van 250 tot 65 miljoen jaar geleden.

a)

Fossiel

b)

Kenozoicum

c)

Mesozoicum

d)

Sedimentgesteente

e)

Stollingsgesteente

5.

Welke van de volgende uitspraken is juist?

a)

Dinosauriërs vormen de oudste groep levende wezens op aarde.

b)

± 600 miljoen jaar geleden was er nog geen leven op aarde.

c)

Continenten bewogen zich altijd uit elkaar.

d)

De absolute ouderdom is de ouderdom in miljoenen jaren.

6.

Bekijk de afbeelding.

Wat is de juiste volgorde van de wereldbolletjes van oud naar jong? Het oudste wereldbolletje is 2.

(a)  

7.

Kies twee antwoorden. Waaruit bestaan fossielen meestal?

a)

A afdrukken

b)

B versteende resten

c)

C botten

d)

D stukken huid

8.

De evolutie van het leven houdt in dat er telkens nieuwe soorten zijn ontstaan. De soorten staan hieronder in alfabetische volgorde.

Wat is de juiste volgorde van ontstaan?

1 reptielen

2 schelpdieren

3 vissen

4 weekdieren

5 zoogdieren

a)

1, 2, 3, 4, 5

b)

5, 3, 4, 1, 2

c)

4, 2, 3, 1, 5

d)

2, 4, 1, 3, 5

9.

Welk van de volgende organismen heeft de grootste kans om te fossiliseren?

a)

A Een organisme dat in zee leeft.

b)

B Een organisme dat op het land leeft.

c)

C Een organisme zonder harde delen.

d)

D Een organisme dat bedekt raakt met sediment.

10.

Gebruik de figuur. Beoordeel onderstaande stellingen en kies het juiste antwoord.

I Je ziet een supercontinent.

II De wereld zag er aan het eind van het Precambrium uit zoals op het kaartje.

a)

A I is juist, II is onjuist.

b)

B II is juist, I is onjuist.

c)

C Beide zijn juist.

d)

D Beide zijn onjuist.

11.

Bekijk de figuur. Welke drie woorden passen bij deze figuur?

1 ammoniet

2 fossiel

3 Mesozoïcum

4 Precambrium

5 trilobiet

(a)