Font size
WorksheetsHet adjectief
Total questions: 20
Worksheet time: 20mins
Het (a) (klein) meisje speelt met haar pop.
[La petite fille joue avec sa poupée.]
De (a) (bruin) deur staat open.
[La porte brune est ouverte.]
Ik woon in een (a) (oud) huis.
[J´habite dans un vieille maison.]
Mijn moeder is een (a) (grappig) vrouw.
[Ma mère est une femme comique.]
Mijn oma drinkt graag (a) (groen) thee.
[Ma grand-mère aime boire du thé vert.]
Marc leest een (a) (spannend) boek.
[Marc lit un livre captivant.]
Deze vrouw draagt (a) (elegant) kleren.
[Cette femme porte des vêtements élégants.]
Dat zijn (a) (moeilijk) oefeningen.
[Ce sont des exercices compliqués.]
De (a) (lief) jongen helpt de vrouw.
[Le gentil garçon aide la dame.]
Ik heb een (a) (boeiend) film gezien.
[J´ai vu un film palpitant.]
Mij oom heeft een (a) (wit) hond.
[Mon oncle a un chien blanc.]
Ik hou van (a) (lang) wandelingen.
[J´aime les longues promenades.]
Dat is een (a) (lang) weg.
[C´est une longue route.]
Mijn moeder is (a) (mooi)
[Ma mère est belle.]
Dat is een (a) (belangrijk) examen.
[C´est un examen important.]
Dat is een (a) (slim) jongen.
[C´est un garcon intelligent.]
Mijn vader heeft een (a) (duur) auto gekocht.
[Mon père a acheté une voiture chère.]
De jongeren organiseren (a) (leuk) feestjes.
[Les jeunes organisent des fêtes amusantes.]
Ik heb in een (a) (gezellig) hotel overnacht.
[J'ai passé la nuit dans un hôtel convivial.]
Hij heeft een (a) (belangrijk) discussie met zijn baas.
[Il a un entretient important avec son patron.]
